nieuws

‘Zwijgen over trillende tuien schuld van pers’

bouwbreed Premium

Een groot aantal bruggen kampt met vergelijkbare problemen als op 4 november 1996 bij de Erasmusbrug aan het licht kwamen. In de jaren ’80 werd het verschijnsel al beschreven in verschillende buitenlandse vakbladen. Toch doet de onderzoekscommissie van het Ingenieursbureau van Gemeentewerken Rotterdam in een tussentijdse rapportage voorkomen alsof de problemen niet konden worden voorzien. “Geheel onverwacht”, noemt ir. J.H. Reusink het trillen van tuien en brugdek onder invloed van regen en wind.

Vandaag buigt de Commissie voor Ruimtelijke Ordening en Grondzaken zich over de stand van zaken in het onderzoek naar de oorzaak van het trilprobleem en de oplossing ervan. Namens de onderzoekscommissie zet ir. Reusink uiteen dat bij inventarisatie van buitenlandse ervaringen en literatuuronderzoek is gebleken dat veel bruggen in het buitenland aan hetzelfde euvel lijden. “Meestal wordt echter buiten de publiciteit, zonder onderzoek, binnen een zo kort mogelijke termijn en tegen minimale kosten een maatregel getroffen”, schrijft ir. Reusink, “vaak het star onderling doorkoppelen van tuien”. De onderzoekscommissie verklaart de onbekendheid van het verschijnsel door “de negatieve uitstraling van media-aandacht” en aan “de veelal beperkte financiele ruimte bij design-construct projecten”.

Publicaties

Reusink maakt niet duidelijk waarom waarschuwingen van een Franse architect in de wind zijn geslagen. De ontwerper van de brug, Ben van Berkel, onthulde onlangs in een eigen publicatie in de Volkskrant dat het Ingenieursbureau van Gemeentewerken al in 1993 op het risico van ‘rain-wind induced vibration’ was gewezen. Evenmin geeft Reusink antwoord op de vraag waarom de vele publicaties in buitenlandse vakbladen (als literatuurlijst bij de tussenrapportage gevoegd) Gemeentewerken is ontgaan of waarom is besloten er niets mee te doen.

Of het zou de grote mate van onvoorspelbaarheid moeten zijn waarmee de tui-instabiliteit zich voordoet. Want ondanks duidelijkheid over een aantal noodzakelijke voorwaarden voor het probleem – o.a. een glad oppervlak van de tui, een windsnelheid tussen 10 en 18 m/s, de wind moet loodrecht op het tuivlak staan, een beperkte turbulentie-intensiteit en regen – is er volgens de onderzoekers nog een onbekende in het spel. De onderzoekscommissie houdt het vooralsnog op een willekeurig effect. Om die reden wordt volgens Reusink ook in Japan vaak pas achteraf een (dempings-)maatregel getroffen; “alleen indien dit daadwerkelijk nodig blijkt”.

Geen gevaar

Uit het onderzoek zijn wel enkele zekerheden gebleken. Er heeft geen gevaar bestaan voor het bezwijken van de brug (“omdat de beweging zich stabiliseert bij grotere bewegingsamplituden”). Verder heeft de bijzondere pyloongeometrie heeft geen invloed gehad op het fenomeen.

Een compleet model van de brug met tuien is gebruikt voor het interactieve onderzoek tussen brugdek en tuien. De vraag was of er versterking plaatsvindt van de tuibeweging vanuit het brugdek, of dat vortex van het brugdek mogelijk zelfs de oorzaak is van de tuibeweging. Er is volgens de onderzoekers geen enkele indicatie dat de geringe stijfheid van het brugdek van invloed is geweest.

Hoewel Reusink bij herhaling de onvoorspelbaarheid van het effect benadrukt – “tussen test en praktijk kunnen zich belangrijke afwijkingen voordoen” – is het uiteindelijk ontwikkelde belastingmodel “zeer waardevol en voorspellend gebleken”.

Veiligheidshalve

Simulaties hebben de praktijkwaarneming bevestigd dat instabiliteit van de tuien bij frequenties vanaf circa 0,8 Hz niet zal voorkomen indien de demping van de tui groter is dan 0,5 procent (c/ckr). Voor de Erasmusbrug wordt veiligheidshalve een demping van 0,8 procent nagestreefd in het frequentiegebied tot 3 Hz. De grotere veiligheidsmarge houdt verband met het slappe brugdek en de relatief grote tuidiameter. Per tui worden twee extra hydraulische dempers toegepast in een opstelling waarbij tevens de demping in zijdelingse richting wordt vergroot.

De kosten van de extra maatregelen worden geraamd op f. 0,9 miljoen. Zij blijven dus “binnen het krediet van f. 365 miljoen”, stellen de onderzoekers de raadscommissie gerust.

Reageer op dit artikel