nieuws

‘Taalproblemen bij allochtonen? Niets meer dan een smoesje!’

bouwbreed

Het argument dat allochtonen niet goed genoeg Nederlands spreken om in de bouw te kunnen werken, veegt hij van tafel. “Dat geldt hooguit voor de eerste generatie. Voor mensen van in de veertig of in de vijftig. Mensen zoals ik. Die zijn toch te oud. Daar zit de bouw niet op te wachten. Jonge mensen die hier geboren zijn en hier op school hebben gezeten spreken wel goed Nederlands, ook al zijn hun ouders Marokkaan, Turk of Surinamer. Taalproblemen? Een smoesje! Gezwam!”

Dries komt uit Marokko en woont 31 jaar in Nederland. Hij werkt ruim 27 jaar als onderhoudsschilder, was leermeester en actief lid van de vakbond. Hij spreekt, verstaat, leest en schrijft moeiteloos Nederlands.

In zijn huiskamer pronkt een klassieke eikenhouten kast en een leren bankstel. Delfts blauwe bordjes hangen aan de muur. Vrouw en kinderen kijken naar SBS 6. Slechts zijn accent verraadt dat Dries’ wieg niet in Nederland stond. Dat geldt ook voor zijn vrouw, maar zeker niet voor zijn zoon en dochter.

“Mijn kinderen spreken vloeiend Nederlands en zullen ze eens moeite hebben met de grammatica, wat dan nog? Dat hebben Nederlandse kinderen ook. Trouwens, kinderen die hier zijn geboren, zijn Nederlander. Je moet, nee je mag niet spreken over allochtonen. Mijn kinderen kennen mijn geboorteland nauwelijks. Ze zijn er alleen in de vakantie wel eens geweest.”

Jaloerse collega’s

Dries wisselde drie keer van baan. “Toen ik in Nederland kwam was het geen probleem om werk te vinden. Ik kwam vrijwel meteen in het schildersvak terecht. Dat is het mooiste beroep dat er bestaat. Iedereen was aardig en bereid om me op weg te helpen. Later, in de jaren tachtig, veranderde dat.”

Hij herinnert zich nog goed de jaloerse reacties van zijn collega’s toen zijn baas hem vroeg leermeester te worden. “Waarom hij?, vroegen ze. Omdat hij een vakman is en goed met mensen kan omgaan, zei mijn baas.”

Ik werkte tweeenhalf jaar als leermeester. Het was niet altijd makkelijk om met jongens van zestien, zeventien jaar om te gaan, maar het lukte me. Ik deed het op mijn manier: niet die jongens steeds afblaffen, maar ze enthousiast maken voor het vak. Het lukte me, maar ik werd ziek van het gepest van mijn collega’s. Rechtstreeks durfden ze niks tegen mij te zeggen want dan kregen ze lik op stuk. Toen begonnen ze achter mijn rug tegen de baas te kletsen. Ik zei: Als jullie het beter kunnen, doe het dan zelf maar.”

De pesterijen zijn ook de reden dat Dries – op aanraden van zijn vrouw – alleen met zijn voornaam in de krant wil. Nog steeds wordt hij door veel collega’s met de nek aangekeken en herkenning kan consequenties hebben.

Dries is er overigens de man niet naar om zich daarbij neer te leggen. Als een generaal die liever strijdend tenonder gaat dan zich over te geven zegt hij: “Ik heb de waarheid gezegd en dat zal ik altijd doen. Ik blijf vechten. Ze krijgen mij niet klein.”

Vakbond doet niets

Vanwege zijn vechtersmentaliteit werd hij lid van de vakbond, maar dit draaide uit op een teleurstelling. “De vakbond doet nauwelijks iets voor ons. De problemen worden omzeild. Veel woorden, weinig daden. Maar het gaat om resultaten, niet om loze beloften. Daarom worden zo weinig allochtonen lid van de bond. De vakorganisaties zouden meer moeten doen om hen bij het bondswerk te betrekken.”

“Bovendien moeten de vakbonden werkgevers benaderen. Laat ze meer allochtonen aantrekken. Geef ze niet de kans om met smoesjes aan te komen zoals dat allochtonen onvoldoende Nederlands spreken of dat ze geen personeel meer aannemen. De bouw zit te wachten op vakmensen en er zijn genoeg allochtone jongeren die goed Nederlands spreken en graag in de bouw willen werken.”

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels