nieuws

Verontreinigde grond in bestek

bouwbreed

Bij de laatste wijziging van de U.A.V. in 1989 is de regeling over verschillen in de toestand van onder andere het bouwterrein ietwat veranderd ten opzichte van de U.A.V. 1968. Daarin stond dat die verschillen aan de aannemer alleen dan aanspraak geven op bijbetaling als zij van zodanige aard zijn dat de gevolgen redelijkerwijs niet voor zijn rekening dienen te komen.

Het schrappen van die woordjes “alleen dan” was misschien uit regelgevend oogpunt wat fraaier; principieel werd er niets door veranderd. Ook de toevoeging dat de opdrachtgever de verantwoordelijkheid draagt voor de juistheid van de door hem verstrekte gegevens is nogal vanzelfsprekend en heeft dan ook alleen in zoverre zin, dat daarmee wordt vastgelegd wat allang -ook in de bouwwereld -als vanzelfsprekend werd aanvaard.

Uit die verantwoordelijkheid van de opdrachtgever vloeit dan ook voort dat de aannemer in beginsel recht op bijbetaling heeft voor de gevolgen van die verschillen. Die moeten wel van dien aard zijn dat ze redelijkerwijs niet voor zijn rekening dienen te komen. Voor verontreinigde bouwgrond betekent dit dat die verontreiniging wel van zodanige betekenis moet zijn dat de aannemer de extra kosten waarmee hij geconfronteerd wordt niet zelf hoeft te dragen.

Sneltramtunnel

Zo’n geval deed zich in Amsterdam voor bij de aanleg van een sneltramtunnel, waarvoor een grote hoeveelheid grond ontgraven moest worden. In het bestek voor dat werk waren daarvoor een groot aantal posten opgenomen. Twee daarvan vermeldden 2000 kubieke meter licht verontreinigde grond en 16.000 kubieke meter gemengde grond. Afgesproken was dat de ontgraven grond eigendom zou worden van de aannemer.

Voor zover die verontreinigd was ,kwam hij dan ook te zitten met de kosten van het schoonmaken. Voor de eerste post was dat geen probleem want die had hij kunnen meenemen in zijn aanneemsom. De acht keer zo omvangrijke post (later verminderd met 2000) die werd omschreven als “gemengde grond”, kon natuurlijk geen betrekking hebben op grond die gedeeltelijk verontreinigd en voor een ander deel schoon was. De term “gemengde grond” slaat immers op een bodem die is opgebouwd uit verschillende grondsoorten. Uit een onderzoeksrapport dat voor dit werk was opgemaakt bleek ook dat de grond ter plekke bestaat uit zandig ophoogmateriaal, waaronder zich een kleilaag bevindt met plaatselijk enige veenlaagjes.

Uit het bestek bleek niet dat ook die -uiteindelijke- 14.000 kubieke meter af te graven grond (licht) verontreinigd was. De aannemer wilde daarom de extra kosten van het schoonmaken daarvan aan zijn opdrachtgever in rekening brengen. Die vond echter dat zijn aannemer de verontreiniging dan wel niet uit het bestek had kunnen lezen maar wel uit het onderzoeksrapport, waarover hij ook had kunnen beschikken.

Maar bewijzen dat hij dit rapport aan de inschrijvers op het werk ter beschikking had gesteld deed hij niet. Dat kon hij waarschijnlijk ook helemaal niet want toen de aannemer de zaak aanhangig had gemaakt voor de Raad van Arbitrage deed hij geen enkel bewijsaanbod in die richting. Zijn beroep op een later rapport ging ook niet op want dat was van een latere datum dan die waarop deze overeenkomst was gesloten en er dus overeenstemming was bereikt over de aanneemsom voor het hele werk.

Ook een beroep op het feit dat een aannemer van een dergelijk werk op een lokatie in het hartje van Amsterdam erop verdacht moet zijn dat de grond daar vervuild is, ging niet op. De arbiters van de Raad durfden het waarschijnlijk niet voor hun rekening te nemen om te zeggen, dat de aannemer daar niet op verdacht was geweest maar wel dat hij verrast was door de overschrijding van de door zijn opdrachtgever genoemde hoeveelheid verontreinigde grond. Die was immers aangegeven door in het bestek het aantal kubieke meters vervuilde grond te noemen en daarnaast de kubieke meters grond te vermelden zonder enige andere aanduiding dan “gemengde grond”.

Op grond van het bestek mocht de aannemer (in het gepubliceerde vonnis staat “opdrachtgeefster”, maar dat is kennelijk een verschrijving) het er dus voor houden, dat de hoeveelheid te ontgraven verontreinigde grond beperkt was tot de 2000 kubieke meters, die in de andere bestekspost als zodanig waren aangegeven.

Omdat de aangetroffen grondverontreiniging in de 14.000 kubieke meters zodanig van aard was dat de gevolgen daarvan redelijkerwijze niet voor rekening van de aannemer dienden te komen, had hij inderdaad aanspraak op bijbetaling, zo besliste de Raad. Dat zegt par. 29 lid 3 van de UAV 1989 met even zoveel woorden.

Daarin wordt zelfs het geval geregeld dat in het bestek de toestand waarin de grond zich bevindt helemaal niet is aangegeven maar tijdens de uitvoering van het werk die toestand afwijkt van datgene wat de aannemer redelijkerwijs had mogen verwachten.

Hier hoefde de aannemer op die regeling geen beroep te doen. De tijdens de uitvoering van het werk aan het licht gekomen toestand van het terrein, week immers duidelijk af van de in het bestek aangegevene. Zijn eis tot bijbetaling werd dan ook toegewezen, maar het door hem gevorderde bedrag werd door de scheidslieden verminderd omdat de opdrachtgever de stort- en transportkosten, die deel uitmaakten van de extra kosten, voor zijn rekening had genomen. Niet uit welwillendheid, want hij kwam voor de Raad met het standpunt dat althans de stortkosten uiteindelijk door zijn aannemer gedragen dienden te worden.

Dat procederende partijen soms maar wat zeggen kennelijk met de gedachte “als het niet baat, schaden doet het in ieder geval niet” bleek toen de Raad deze, toch niet zo kleine opdrachtgever erop moest wijzen dat in zijn eigen bestek met zoveel woorden stond: “de stortkosten van licht verontreinigde grond komen niet voor rekening van de aannemer”!

(BR 1997 p.777)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels