nieuws

Arbouw hekelt hobbyisme en desinteresse Slecht rapportcijfer voor arbodiensten

bouwbreed

Het is slecht gesteld met de kwaliteit van de dienstverlening van arbodiensten. Hobbyisme viert hoogtij. Ook komt desinteresse van bedrijfsartsen voor. Dat stelt niet alleen de stichting Arbouw vast, aldus directeur L. Akkers. Ook werkgevers en werknemers in de bedrijfstak bouw hebben aangegeven dat de wijze van werken, beoordelen en adviseren per arbodienst aanmerkelijk uiteen loopt.

Op het congres ‘Samen naar Gezond Werk’ van het Nederlands Instituut voor Arbeidsomstandigheden en TNO deed Akkers een niet z’n fraai boekje over de arbodiensten open. Dat kon hij doen omdat zijn stichting alle intredekeuringen en het periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek in de bouw door arbodiensten laat verrichten.

Die zijn verplicht om per uitgevoerde activiteit via het Verrichtingen Informatie Systeem Arbouw (VISA) gegevens te verstrekken over gezondheids- en werkbeleven, bevindingen van de bedrijfsarts en informatie over verdere begeleiding van de werknemer.

Zo kon hobbyisme en desinteresse van bedrijfsartsen aan het licht komen bij het vaststellen van aandoeningen, de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid en het daadwerkelijk uitvoeren van vervolgactiviteiten.

Geen doofheid

Akkers illustreert dat met enkele saillante voorbeelden. Bij de intredekeuring van werknemers, die nog niet eerder in de bedrijfstak werkzaam zijn geweest, komt het bij meer dan de helft van de arbodiensten geen enkele keer tot de vaststelling dat een werknemer niet voor die arbeid geschikt is. Andere arbodiensten scoren tegen de 5%. Als het gaat om de uitslag ‘arbeidsgeschikt onder voorwaarden’, loopt de score uiteen van 0 tot zelfs 18%.

“Onverklaarbaar”, zegt Akkers, “als wordt bedacht dat voor deze beoordeling beroepsspecifieke beoordelingsrichtlijnen moeten worden gehanteerd.”.

Een ander voorbeeld tekent nog meer de desinteresse. Gehoorschade komt in de bouw vaak voor, met name op oudere leeftijd. “Of er van een zorgvuldig onderzoek sprake is valt te betwijfelen, zeker als lawaaidoofheid door vijf arbodiensten in het geheel niet wordt geconstateerd en andere diensten deze aandoening regelmatig vaststellen, zelfs tot 49% van het totaal aantal gestelde diagnoses.”

Geen onderzoek

Onderzoek onder werkgevers en werknemers bevestigen het oordeel van de stichting Arbouw over arbodiensten. Er wordt getwijfeld aan de bouwspecifieke deskundigheid van bedrijfsartsen en arbodeskundigen en aan de werkbaarheid en effectiviteit van adviezen op het terrein van verzuim- en arbobeleid.

Zo blijkt bij het intrede-onderzoek en het periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek voor 67 bouwberoepen lichamelijk onderzoek van houdings- en bewegingsapparaat te zijn voorgeschreven. Dat gebeurt echter in niet meer dan 88,4% van de gevallen. Zes arbodiensten scoren de volle 100%, maar de slechtst scorende arbodienst komt niet verder dan 61%.

Over de kwaliteit van de verzuimcontrole en -begeleiding is het oordeel van werkgevers al evenmin buitengewoon goed. Het percentage dat de uitvoering van deze activiteit als goed beoordeelt varieert van 25 tot 67.

Hulp van derden

Arbouw laat het overigens niet bij deze constateringen, maar confronteert de arbodiensten met deze gegevens. Daarbij is geen sprake van vrijblijvendheid. Als de arbodienst in kwestie niet overgaat tot concrete verbeteringen, stelt Arbouw zelfs capaciteit beschikbaar voor een proces van sociaal-geneeskundige kwaliteitsverbetering en voor externe en deskundige begeleiding van deze diensten. Aan certificering van arbodiensten wordt door Arbouw niet zo’n groot belang gehecht omdat certificatie geen garantie voor kwaliteit inhoudt.

Akkers kon alleen maar spreken over de dienstverlening van arbodiensten aan de bouw, maar acht die niet slechter dan die voor werknemers en bedrijven in andere bedrijfstakken. Bedrijfsartsen, die voor de bouw werkzaam zijn, kunnen tenslotte nog hun voordeel doen met beroepsspecifieke referentieprofielen, beoordelingsrichtlijnen en opleidingen.

Sommige doktoren van Arbodiensten hebben nog nooit lawaaidoofheid bij bouwvakkers kunnen constateren, hoewel gehoorschade in de bedrijfstak veelvuldig voorkomt.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels