nieuws

Verjaring van recht op herstel

bouwbreed

Na verloop van een bepaalde tijd gaat het recht om in rechte iets op te eisen teniet. Dat kan gebeuren door het verstrijken van een vervaltermijn of van een verjaringstermijn. Een vervaltermijn van drie jaren geldt bijvoorbeeld voor het recht van de eigenaar om zijn gestolen fiets als zijn eigendom op te eisen.

Voor verjaringen gold vroeger, voor de inwerkingtreding van het nieuwe Burgelijk Wetboek, een algemene verjaringstermijn van dertig jaar. Sinds 1992 is de langste termijn twintig jaar, maar dat is niet eens een algemene. Voor de belangrijkste praktijkgevallen geldt sindsdien namelijk een korte verjaring van vijf jaar.

Zo dient een vordering tot herstel van een gebrek in een bouwwerk ingesteld te worden binnen vijf jaar. Die termijn gaat pas in zodra de eiser dat gebrek heeft ontdekt. De aannemer, die een werk met een gebrek tot stand heeft gebracht, kan echter pas helemaal gerust zijn na twintig jaar, want als die termijn is verstreken, is de rechtsvordering verjaard in de gevallen dat het gebrek niet binnen die tijd ontdekt is.

De schuldenaar kan echter iets doen waardoor de verjaring gestuit wordt; dit betekent dat de termijn opnieuw gaat lopen. Dat is het geval als het recht van de ander wordt erkend, bijvoorbeeld door een betalingsaanbod.

De vraag of het herstellen van scheuren in een huis door dezelfde aannemer die dat heeft gebouwd een stuitingshandeling is, werd vorig jaar aan de Raad van Arbitrage voorgelegd. De eigenaar van een bungalow eiste meer dan twintig jaar na de bouw van zijn aannemer herstel van de gebreken in de fundering van zijn huis. Ook wilde hij een schadevergoeding voor de waardevermindering van zijn pand.

De vraag of de verjaringstermijn verstreken was hing af van de dag waarop die was ingegaan. De bungaloweigenaar had op 27 januari 1994, nog net – zo dacht hij althans – binnen de verjaringstermijn, zijn aannemer schriftelijk aansprakelijk gesteld. De oplevering van het pand moest daarom na 27 januari 1974 hebben plaatsgevonden. Er was echter geen proces-verbaal van oplevering opgemaakt en daarom kon de arbiter van de Raad alleen aan de hand van de door de opdrachtgever gedane betalingen beslissen wanneer die oplevering moest hebben plaatsgevonden.

De opdrachtgever stelde, dat dit in april 1974 was gebeurd. Maar de aannemer had beweerd, dat hij de bungalow op 18 december 1973 had opgeleverd. Dat bleek beter te kloppen dan het verhaal van zijn opdrachtgever. De enige kans om zijn vordering toegewezen te krijgen lag daarom in de mogelijkheid, dat die verjaringstermijn was gestuit. De bungaloweigenaar beriep zich daarom op een daadwerkelijke erkenning van zijn vorderingsrecht door de aannemer.

Zowel het oude B.W. (art. 2019) als het nieuwe (art. 3:318) bepalen, dat een erkenning de verjaring stuit. Omdat de oorzaak van de (eventuele) stuiting voor 1 januari 1992 had plaatsgevonden, was hier art. 2019 van toepassing en daarom moest de arbiter beoordelen of hier sprake was van een “erkentenis” (terecht in het nieuwe B.W. vervangen door “erkenning”). Die zou gelegen zijn in het feit, dat de aannemer in maart 1989 scheuren in het plafond van de garage en in de vloer van de slaapkamer had hersteld.

In een andere bungalow van hetzelfde bouwproject van 14 huizen hadden zich ook gebreken aan de fundering voorgedaan. De eigenaar van die bungalow was er wel op tijd bijgeweest. Hij had van de Raad van Arbitrage een vonnis gekregen, op grond waarvan de aannemer in februari 1989 niet alleen de gebreken aan de fundering, maar ook de daaruit voortvloeiende schade had moeten herstellen.

Het feit, dat dezelfde aannemer ook bij hem thuis scheuren had gerepareerd, had voor hem een teken moeten zijn dat ook in zijn huis soortgelijke funderingsgebreken aanwezig waren. Dat realiseerde hij zich te laat, maar door de reparaties, zo luidde de stelling van de eisende bungaloweigenaar, had zijn aannemer zijn aansprakelijkheid erkend, ook voor de oorzaak van de scheurvorming.

De arbiter las artikel 2009 B.W. echter niet zo. Uit de door de aannemer uitgevoerde herstelwerkzaamheden kan pas een erkenning in de zin van dat artikel worden afgeleid, zo zei hij, als blijkt dat de aannemer wist, dat hier sprake was van voortgaande zettingen. Ook zou dat het geval geweest zijn als hij had moeten begrijpen dat zijn opdrachtgever een vorderingsrecht had, waarvan hij op het moment dat dit ontstond zich nog niet bewust was.

De aard en omvang van de scheurreparaties waren echter niet van dien aard, dat de aannemer moest weten dat daarmee een afdoend resultaat zou uitblijven. Dat herstel was daarom geen daad van erkenning van de aannemer, zo besliste de scheidsman.

Ik denk, dat dit juist is. Zo blijkt weer eens hoe belangrijk het is om wat beter op de hoogte te zijn van bepalingen in ons recht zoals die hier aan de orde waren. Hoewel de stelling ‘iedereen wordt geacht de wet te kennen’ een verkeerde omschrijving is van de inhoud van artikel 2 van de Wet Algemeene Bepalingen der Wetgeving van het Koningrijk uit 1829, kan niemand zich erop beroepen dat hij niet wist dat zijn rechtsvordering na 20 jaar verjaarde. En zeker moet niet tot het laatste moment gewacht worden met het doen van het noodzakelijke als het, zoals hier, om “fundamentele” dingen gaat. Als deze bungalowbewoner vijf jaar voordat hij zijn aannemer formeel aansprakelijk stelde voor de funderingsgebreken, al meerdere aanwijzingen had dat die ook in zijn bungalow aanwezig waren, zou hij een inhoudelijke beoordeling van zijn claim hebben gekregen. Nu bleef die uit, omdat hij tot het laatste moment had gewacht, nee tot na het laatste moment!

(BR 1996 p. 1011)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels