nieuws

Zeeland bevordert zelf tweede-woningbezit

bouwbreed Premium

Als de provincie Zeeland daadwerkelijk iets wil doen aan de problematiek van het tweede woningbezit in de plattelandskernen (en permanente bewoning van recreatiewoningen), dan zal ze het volkshuisvestings- en woningbouwbeleid moeten aanpassen. Er zal met name veel kritischer gekeken moeten worden naar de verhouding steden/platteland.

Dat betoogde inspecteur drs. J.J.P.M. Thonissen van de Inspectie Ruimtelijke Ordening-Zuid van het ministerie van VROM in Domburg, op een door de provincie belegd mini-symposium over ‘permanent en recreatief wonen in Zeeland’.

Al jarenlang proberen veel Zeeuwse gemeenten, die in toenemende mate in hun woningbouw worden beperkt door het restrictieve bouwbeleid, het tweede woningbezit in de kleine kernen tegen te gaan.

Lede ogen

Met lede ogen zien ze hoe leegkomende woningen in handen vallen van buitenpoorters uit de Randstad en ook Duitsland. Prijsopdrijving als gevolg van een veel grotere vraag dan aanbod zorgt ervoor dat vaak buitensporig hoge bedragen moeten worden neergelegd voor woningen die feitelijk minder waard zijn.

Uit de betreffende kernen afkomstige starters op de woningmarkt grijpen doorgaans naast die woningen, omdat ze de vraagprijs niet ke opbrengen. De eigen woning-zoekenden moeten daardoor een woning betrekken in een stad of zogeheten ‘dragende kern’.

Voor de gemeenten is dit een zeer ongewenste ontwikkeling. Wethouder mevr. M. Brouwer-te Roller van Veere was daarover heel duidelijk: “Er ontstaat een verstoring van de woningmarkt. Kernen hebben een permanente woonfunctie, maar door het tweede woningbezit worden woningen, bestemd voor permanente bewoning, aan de woningmarkt onttrokken. Om te voorzien in woonbehoefte van de eigen woningzoekenden moeten woningen bijgebouwd worden”.

Neveneffecten

Maar dat moet wel gebeuren op verantwoorde wijze. Ongelimiteerd of op te ruime schaal woningen bijbouwen (ongebreidelde groei van kernen, zoals die tot nu toe in Zeeland is opgetreden) heeft ongewenste neveneffecten. “Als aan de rand van een kern 20 woningen worden gerealiseerd staan binnen de kortste keren evenzoveel bestaande woningen in de kern leeg. En wie kopen die woningen vervolgens op? Juist ja, mensen van buiten”.

Bovendien doorkruist nieuwbouw volgens haar “de duurzame ontwikkeling van de zelfs in Zeeland schaarse ruimte”.

Tenslotte tast het tweede woningbezit naar haar stellige overtuiging de leefbaarheid in de kernen aan: “Doordat die woningen vaak onbewoond zijn, ontstaan levenloze stukjes straat met verwaarloosde tuinen, afval etcetera”.

Ongewenst

Thonissen deelde die visie: “Om ruimtelijke en volkshuisvestelijke redenen is tweede woningbezit een voor het rijk ongewenste ontwikkeling. Daardoor dreigt meer en nieuw ruimtebeslag op plekken waar dat ongewenst is”.

Dat de provincie voor de plattelandsgemeenten een ruimhartiger woningbouw voorstaat dan het Vinex-beleid beoogt, noemde hij in dat verband niet acceptabel: “Woningen moeten op de juiste locaties worden gebouwd”.

Thonissen wil dan ook dat de provincie het woningbouwbeleid (tot en met 2006) herziet en dan met name ten aanzien van de verhouding steden/platteland. Daarmee onderstreepte hij nog eens de eerder al in Cobouw (23 juli jl.) geuite kritiek op het woningbouwprogramma van Zeeland.

De inspecteur kondigde nog aan dat hij samen met zijn collega van de Inspectie Volkshuisvesting het functioneren van de Zeeuwse woningmarkt onder de loep gaat nemen. Daarbij zal ook het verschijnsel tweede woningbezit worden betrokken.

Reageer op dit artikel