nieuws

Pleidooi tegen heldendaden

bouwbreed Premium

Als gemeenteambtenaar in Amsterdam was Han Michel actief in de stadsvernieuwing. Daar leerde hij de wereld van stadsplan en woningcorporaties van binnenuit kennen. Vanuit die functie werd hij in 1990 directeur van de woningstichting Lieven de Key. Hij maakte naam met de verbouw en restauratie van de Oranje Nassaukazerne aan de Sarphatistraat. In 1996 werd Han Michel directeur van De Key, een corporatie met 30.000 woningen die ontstond uit de fusie van Lieven de Key, Onze Woning en De Doelen. De Key hoort tot de zeer grote corporaties in ons land en is daardoor medebepalend voor het beleid dat wordt gevoerd. Onderdeel van De Key is de ontwikkelaar De Principaal waarvan Han Michel ook directeur is. De Principaal heeft als doel het bouw- en verbouwbeleid van De Key te realiseren. De Key is net als alle woningcorporaties verzelfstandigd sinds 1 januari 1996; initiatieven zoals De Principaal zijn nodig om het voortbestaan en de groei van de grote corporatie veilig te stellen.

Ir. Han Michel, directeur van de grote woningstichting De Key, geldt als een van de smaakmakers en beeldbepalers in het debat over stedenbouw, architectuur en monumentenzorg in Amsterdam. Over zijn rol in de stadsvernieuwing zegt hij: “Ik heb geen sloopfobie, maar maak me wel sterk voor de ‘langzame’ stad. We moeten niet steeds ontwikkelingen willen keren met bouwkundige heldendaden die later volkomen misplaatst blijken.”

an Michel begint zijn verhaal met een voorbeeld. Het handelt over de vervanging van afgeschreven panden in de oude wijken, een zaak waar soms ook Monumentenzorg bij betrokken is. “Corporaties met een groot historisch bezit als De Key moeten positie innemen – in de zin van verantwoordelijkheid nemen – tussen de officiele monumenten, de classics, en de non-descriptieve gebouwen in. Door sterk de nadruk te leggen op de status die een monument door bescherming krijgt, wordt de overige bebouwing rechteloos verklaard.”

“Soms valt die positie samen met de keuzes die Monumentenzorg maakt en soms niet. Neem het Oosterpark in Amsterdam-Oost; daar is op de hoek van het Beukenplein een gat. Het Oosterpark is een straat met statige negentiende-eeuwse huizen; daarachter staat volkswoningbouw. In dat bouwblok aan het Oosterpark realiseren we nu een ingewikkeld po dat uit vier delen bestaat. Nieuwbouw van dure koopwoningen aan het park geeft ons daar de armslag voor een mooie architectonische inpassing en genereert bovendien geld voor herstel van een ander monumentaal deel van de gevelwand. En voor nieuwbouw van goedkope huurwoningen om de hoek, aan de Beukenweg. Niets heeft hier de status van monument of beschermd stadsgezicht. De architect is Erna van Sambeek; wat zij doet is niet historiserend, maar wel passend in het straatbeeld. Er zijn niet veel architecten die dat ke, zij wel. Men had of heeft een wantrouwen tegen architecten met eigen ideeen; overigens niet altijd ten onrechte. Vooral in de fase van de stadsvernieuwing was er eigenlijk een bouwkundig vacuum. Neem de woningen van Paul de Ley op het Bickerseiland; die zijn zo slecht dat je ze eigenlijk het beste kunt slopen. Het architectonisch experiment werd daar niet geschraagd door ambachtelijke technieken. Zo’n experiment is niet bemoedigend voor het aanzien van de architectuur bij de corporaties.”

“Die onverschilligheid ten aanzien van de architectuur is van huis uit niet iets dat bij de corporaties hoort. De corporaties werkten voor de oorlog in een periode waarin ideologische gedrevenheid en smaak samenvielen. Na de oorlog kwamen de grote naoorlogse wijken; er kwam zelfs een apart Ministerie van Wederopbouw dat grote macht had. Alles werd van bovenaf geregeld, zelfs de interpretatie van de doelstellingen van de corporaties. Met het verdwijnen van de bredere maatschappelijke opgave van de corporaties, die door de overheid werd overgenomen, verdween ook de voorkeur voor architectonische kwaliteit. Het ging alleen nog om aantallen woningen. Hoeveel kabinetten zijn er niet gesneuveld op het aantal woningwetwoningen dat gebouwd moest worden? De woningnood was volksvijand nummer een.”

Blamage

“De situatie is nu nog steeds zo dat de corporaties zeggen: architectuur en monumentenzorg zijn niet mijn-pakkie-an, maar als de gemeente betaalt zijn we niet te belazerd om het mee te nemen. Wij doen als corporaties het technische gedeelte, en als het mooi moet worden moet de gemeente maar betalen. Dat is het standpunt en ik vind het een blamage voor de corporaties, hoewel het duidelijk is dat de gemeenten ook aangepakt moeten worden.”

“Corporaties en gemeenten moeten het zien eens te worden over de technische eisen die de overheid stelt. Alles moet tegenwoordig geisoleerd worden. Straks staan alle wijken van na de oorlog in de buitengevelisolatie, met pleisterwerk. Alles wordt dan dik in de poedersuiker gezet, net als bij mislukte cakes. En bovendien in kleuren die je toeschreeuwen: nu is het hier leuk.”

“Wij hebben een complex huizen in en rond de Ruys de Beerenbrouckstraat in Slotervaart geisoleerd en roze gepleisterd. Iedereen roept: o, wat vrolijk. Ik zeg: het is niet vrolijk, het wordt groezelig. De technische mensen van de corporaties vinden baksteen saai. Ik niet. Eerlijke baksteen gaat al eeuwen mee; al dat gepleister maakt dat de gebouwen uit het stedelijk concept vallen. Ik vind al dat gecorrigeer aan de beeldkwaliteit van woningen niet goed. Het gebeurt te extreem.

“Er is bij de corporaties geen regie, geen architectonische aansturing. Als je toch eens ziet wat er in de wijk Bos en Lommer gebeurt, de liefdeloosheid waarmee daar al die flats die na de oorlog sober, maar met veel aandacht door grote bouwmeesters zijn gemaakt, worden verknoeid. De corporaties hebben allemaal op eigen houtje gerenoveerd, er verschillende soorten kunststofkozijnen ingezet en deuren die er niet passen. Er is bij de corporaties en bij de gemeente ook geen aandacht voor de stedenbouwkundige kwaliteit van Bos en Lommer. Of kijk eens naar Jeruzalem, de nieuwbouwwijk uit de jaren vijftig in Frankendael in de Watergraafsmeer in Amsterdam-Oost. Dat complex is na de renovatie een soort Bonanzadorp geworden, met al die verkeerde materialen en gepotdekselde houten gevels. Ik zei tegen de corporatiedirecteur die daarmee bezig was: “Besef je dat Jeruzalem gebouwd is door Ben Merkelbach, en door Aldo van Eyck en Mien Ruys is vormgegeven.” Hij zei dat de gemeente hem dat had moeten vertellen.”

Versplintering

“Daarmee stuit je dan ook op het grote nadeel van de opdeling van Amsterdam in stadsdelen: de kennis over de monumentale waarden is versplinterd geraakt en dus onvoldoende, en krijgt niet de kans om zich te ontwikkelen. Er is daardoor geen verwevenheid van het werk van de corporaties met de Monumentenzorg; dat moet verbeterd worden. Net zoals er vanuit het centrale Welstandstoezicht een supervisor is voor de renovaties in de Gordel ’20-’40, zou er ook voor andere ‘jaarringen’ van de stad zoals de negentiende-eeuwse gordel en de naoorlogse wijken een supervisor ke zijn. Want door de werking van de Monumentenwet en de wettelijke bescherming van stads- en dorpsgezichten is de rest in feite rechteloos. Dat werkt nadelig.”

“In een wijk die stedenbouwkundig goed wordt onderhouden gaat het goed. Daar willen de mensen wonen en daar is stabiliteit. Hetzelfde geldt voor De Baarsjes. Het centrale plein is het Mercatorplein waarvan de bebouwing door Berlage is gemaakt. Het Mercatorplein is consistent en heeft kracht. De noordwand is gesloopt en is door Wytze Patijn herbouwd naar het oorspronkelijke idee. Dat is goed. De kracht van het plein wordt daardoor behouden en zo moet het. Het blok aan de Hoofdweg van H.Th. Wijdeveld dat Lieven de Key (kosten f. 63.113 per woning) heeft gerestaureerd biedt weer de prachtige gevelwand die er was. Dat heeft Lieven de Key, samen met het stadsdeel De Baarsjes veel geld gekost. Wij betaalden een miljoen gulden op een reserve van dertig miljoen gulden. Dat was veel geld voor ons.”

“De Hoofdweg is in 1992/1993 gedaan door de architect Bertus Mulder samen met Jurjen Zeinstra. Kunststofkozijnen waren natuurlijk vanaf het begin al uit den boze, dus dat was niet aan de orde. De nieuwe kozijnen hebben ondanks het dubbelglas hetzelfde profiel als de oude kozijnen. De suskasten, die vroeger overal geplaatst werden, konden beter. Dus hebben we suskasten in de maat van de baksteen ontwikkeld. Aan de achterkant van de huizen hebben we de withouten balkonhekken vervangen door aluminium ‘remake’. Dat kostte nog veel moeite, want die hekken met horizontale delen heten overklimbaar te zijn en worden daarom verboden. Daar hebben we dus strijd over gevoerd want dat is een beetje onzin: in al die jaren dat die woningen er staan is er nog nooit iemand naar beneden gevallen.”

“Centraal in dit verhaal is dus de rol van de opdrachtgever. Je kunt het als corporatie zo aansturen dat aandacht voor de stedenbouw en architectuur, de kwaliteit van een buurt en de waarde van je bezit hand in hand gaan. Het kapitaal staat dan mooi te zijn op straat en zijn waarde te behouden.”

“Door de verzelfstandiging moeten de corporaties meer oog hebben voor hun financiele situatie. Dat zal zeker leiden tot fusies en coalities. En dan zeg ik: de toekomst is aan de gebiedsgewijze aanpak waarbij corporaties profiteren van het feit dat ze veel bezit in een gebied bij elkaar hebben en daar samenwerken. Dat moet je ook doen: dan kun je meesurfen op de collectieve aandacht die er voor een buurt is en hoef je het niet alleen te doen.”

De ‘langzame’ stad

“Ik maak me sterk voor behoud en beheer; ik heb zeker geen sloopfobie. Maar ik maak me wel op veel plekken sterk voor de ‘langzame’ stad, voor behoud met af en toe een strategische ingreep door nieuwbouw. We moeten niet steeds ontwikkelingen willen keren met bouwkundige heldendaden die later volkomen misplaatst blijken. Dan ontbreekt ieder inzicht in de stad, met zijn structuur en zijn bevolkingsontwikkeling.”

“Het punt is: men moet met een aantal zaken leren leven. Neem al die ergernis over de schotelantennes; in onze erfenis van De Key zit een procedure die wij tegen huurders daarover hebben aangespannen. Ik denk dan: hou daarmee op. Maak langs de huizen een stang zodat de mensen die schotels netjes ke monteren. En leef ermee. Over tien jaar hebben we allemaal zo’n schoteltje, een beetje kleiner, een beetje mooier vormgegeven. En kijk naar het historisch perspectief: vroeger hadden we allemaal een antenne op het dak en niemand ergerde zich eraan. Nu hebben de buitenlanders een schotel en het mag niet. Leer te leven met wat er nu is. Natuurlijk is het uitstekend om wijken wat meer te differentieren waar dat kan, maar behoud, beheer, zorg voor de stedenbouwkundige opzet: die zijn van belang. En goed onderwijs. Vooral veel goed onderwijs. Dat geeft perspectief.”

Het bovenstaande is een voorpublicatie uit het boek van Tessel Pollmann, senior consulent bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, ‘Volkswoningbouw 1900-1945, een analyse van overlevingskansen.’ (SDU: f. 39,50) dat in juni verschijnt.

Reageer op dit artikel