nieuws

Lange werkdagen en kinderarbeid in de negentiende eeuw heel normaal

bouwbreed Premium

Eind negentiger jaren van deze eeuw staat flexibelere arbeidstijden en het uitzendwerk, dat jarenlang verboden is geweest in de bouw, in het middelpunt van de belangstelling.

Een eeuw eerder was dat wel anders. Kinderarbeid werd als normaal beschouwd
en flexibelere arbeidstijden waren bepaald niet aan de orde van de dag. Aan het
slot van deze twintigste eeuw staat de slogan: ‘werk, werk en nog eens werk’
centraal; in de vorige eeuw luidde deze ‘werken, werken en nog eens werken’
althans voor degenen, die aan de slag konden komen. Liefst, als weer en
jaargetijden dat toestonden, twaalf of meer uren per dag.

Wat de bouw betreft werd in ‘Het Advertentieblad’ niet zo zeer geadverteerd
om voor kinderen werk te zoeken of werk te vragen, daar leende uitgever Ten
Hagen zich niet voor. Er heerste toen echter wel een sfeertje van: ‘houdt ze
maar van de straat af’. Zo lezen we in het boek van dr.I. Brugmans in zijn
Sociaal-Economische Geschiedenis van Nederland dat: ‘de patroon die in die dagen
jongere kinderen in zijn bedrijf te werk stelde, als philantroop werd beschouwd,
die aan den lediggang een eind maakte en de jeugd in staat stelde een eerlijk
stuk brood te verdienen’.

Zelf herinner ik mij een bezoek aan het kantoor van Gemeentewerken in
Enschede. Daar bevond ik me op een bovenetage van het gebouw, dat uitzicht gaf
op een oud fabrieksgebouw, waar textiel werd vervaardigd. Het bleek dat hier de
verdiepingen veel lager waren dan de huidige ‘wenken en voorschriften’ dat
bepalen. Op mijn vraag ‘Hoe dat mogelijk was?’, werd me verteld, dat de directie
van toen daartoe opdracht had gegeven, omdat de tewerkgestelde kinderen ‘niet
meer ruimte nodig hadden’ en dat door dit systeem van bouwen ‘meer kinderen aan
het werk konden worden gezet!’

Personeelsadvertenties

In de personeelsadvertenties van Cobouws voorganger vonden we een ander soort
verzoeken om personeel te vinden.

Gevraagd werden bijvoorbeeld: ‘Twee opzigters, bekwaam in de aanleg van
zeewaterkeerende en andere werken. Adr. in persoon bij de Dijkgraaf te Hoorn’.
De Gemeente Bergen op Zoom zocht een ‘gemeentearchitect, die tevens kan optreden
als leeraar rechlijnig en bouwkundig teekenen’. Jaarwedde voor beide functies
tezamen f. 1200. Jonge mensen boden zich in grote aantallen voor het
bedrijfsleven aan. Op deze wijze: ‘Een jong mensch, actief en werkzaam, wenscht
zich in connectie te stellen met H.H. Handelaren en Fabrikanten en
Bouwmaterialen om hunne Artikelen en Fabrikaat in commissie te verkoopen. De
conditien van verkoop met elken Patroon vast te stellen, zoomede de betaling
hunner goederen en het commissieloon. Inclineerenden (een frans woord voor
belangstellenden) gelieven zich franco te adresseren onder het nommer dezer adv.
aan het bureau dezer courant’.

Minder veeleisend was ’t ‘Jongmensch’ dat meldde ‘zich verscheidene jaren
praktisch en theoretisch in het Bouwkundig Vak geoefend hebbende, de beste
getuigschriften van gedrag en bekwaamheid kede overleggen, zag zich gaarne in
bovengenoemd Vak in eenige betrekking geplaatst. Op veel salaris zal minder
worden gelet’.

Voor f. 450 per jaar

Directeuren van Ambachtscholen zijn ook in trek. In Den Haag kan er in 1877
een worden geplaatst tegen een honorarium van f. 450 ’s jaars. Het is bijna niet
te geloven.

Beter af was de bouwopzigter, die de gemeente Amsterdam nodig had. Mits hij
‘goed met het werkvolk kon omgaan en bovendien in staat was een goede
administratie te voeren’ kon hij f. 1450 per jaar verdienen.

Voor alle soorten bedrijven waren zij bruikbaar die zich aandienden als
‘fatsoenlijk Persoon, een nette en vlugge hand schrijvende en vlug kede
rekenen’.

Intussen mag men niet uit het oog verliezen dat veel werkzoekenden werden
geplaatst op voorspraak van ‘een rijke heer’, die een goed woordje deed bij een
zakenrelatie.

Ingezonden

Het eerste Ingezonden stuk: in ‘Het Advertentieblad’ dat op 30 april 1877
verscheen, had betrekking op de bouw en luidde als volgt: “Wanneer men de
dagbladen leest, zoo ook ‘Het Advertentieblad’ welke hoofdzakelijk wordt
uitgegeven om de industrie op de hoogte te houden, dan kan men lezen voor en
door wie bij aanbestedingen is ingeschreven; het heeft als zoodanig dikwerf
mijne aandacht getrokken, dat veelal, vooral bij groote werken, door
Buitenlandsche Maatschappijen of Fabrieken wordt ingeschreven en, zijn zij de
minsten, het werk wordt gegund. Nu is mijn hoofdvraag deze, zijn die
inschrijvers ook voor ons land in het bezit van een patent op het oogenblik dat
zij mededingen?

Waarschijnlijk niet en daar men bij ons te lande, indien men een of ander
bedrijf wil uitvoeren, zich vooraf moet voorzien van het Patent, zoo is het
dunkt mij niet meer dan regtvaardig dat, zoo buitenlanders mede concureeren, zij
ook verpligt zijn zich vooraf te voorzien; ik wensch daarop HH Aannemers attent
te maken om bij voorkomende aanbestedingen te protesteren tegen die inschrijvers
welk niet voor ons land gepatenteerd zijn.

J.C.P.”

Wie deze wakkere en gedienstige geest was is niet meer te achterhalen en
evenmin of zijn advies dankbaar werd aanvaard. Maar gelijk had de man wel. De
invoering van het patentrecht door de Franse bezetters in 1811 hield in dat
niemand een bedrijf mocht uitoefenen, die niet jaarlijks daarvoor een vast
bedrag betaalde; het zgn. Patent. De invoering ervan betekende destijds de
genadeslag voor de gilden. In 1892 werd het afgeschaft.

Reageer op dit artikel