nieuws

Bommelstein in de Bijlmer

bouwbreed Premium

“Net een groep dromedarissen, klaar voor de start, de poten gestrekt, het lichaam in beweging.” Zo omschreef een mevrouw het ING-hoofdgebouw in Amsterdam Zuidoost. Een ander vergeleek de rots met Bommelstein, tenslotte ook zo’n gemoedelijk kasteel vol gangetjes en kamertjes.

En zo waren er meer liefdesverklaringen bij de lezersprijsvraag die Het Parool in 1987 uitschreef, waarin een ieder zijn favoriete Amsterdamse gebouw van na 1970 mocht aanwijzen.

Inderdaad; de schepping van Ton Alberts won. En nog steeds zijn ze in onze hoofdstad apetrots op diens organisch bakgesteente. Vraag het maar eens aan een willekeurige Mokummer. Die kan je vast ook de meest fantastische verhalen over het gebouw vertellen. Laatst hoorde ik het een voorbijganger weer opmerken, terwijl hij zich amechtig hijgend naar het aanpalende metrostation begaf: “Ze schijnen daar bij de ING gelukkiger personeel te hebben dan waar dan ook. Dat schijnt verband te houden met de hellende, natuurlijke vormen van dat gebouw.”

Toch maar eens navragen bij het ING-kasteel. Maar dat had ik beter niet kunnen doen; een woordvoerder valt bijna gierend van de pret van zijn kruk als ik hem die vraag stel. “Die vraag krijg ik bijna ieder half jaar weer. En dat al acht jaar”, vertelt hij als hij enigszins bijgekomen is. “Iedereen werkt hier met plezier en vind dit een mooi, plezierig pand. Zeker, we houden ieder jaar tevredenheidsonderzoeken onder onze medewerkers, maar uit hun rapportcijfers vallen geen relaties te leggen naar de organisch-architectonisch vorm van het gebouw. Noch bestaat er een verband tussen de architectuur en ons ziekteverzuim. Want dat is natuurlijk het volgende wat je wilde weten.”

Maar wacht eens. Krijgt al het nieuwe personeel na verloop van tijd dan niet iets happy-achtigs over zich? Nog maar te zwijgen over alle Postbankers die, jarenlang doodongelukkig in kille utiliteitskantoren, na de fusie met de NMB ineens met een orgastisch genoegen naar hun nieuwe kantoor moeten zijn gerend. Waarschijnlijk hebben ze weken aaneen stoned van plezier achter hun beeldscherm gezeten.

Maar nee. De meesten zijn gewoon in hun eigen gebouw blijven zitten, vertrouwt mijn zegsman mij toe. Om eraan toe te voegen, dat het S-kronkelige rotsgebouw nog altijd prima bevalt. Geen raam of muur is weggebroken. “Geluiden dat het niet langer voldoet en we het daarom zouden willen verlaten, berusten dan ook op indianenverhalen. Wel wordt er door allerlei bankgefuseer nogal wat gehusseld met afdelingen en directies en vinden er intern flink wat verhuisbewegingen plaats. Maar wat wil je, het kantorenterrein in Zuidoost is bijna een groot bankgebouw geworden”, leutert mijn gesprekspartner gezellig. Treasury, het Financial Plaza, lease-afdelingen, allemaal divisies onder de ING-vlag.”

Met een snik: “Zelf zit ik helaas al een tijdje niet meer in het pand, en, nee nee, ik ben nog steeds even gelukkig op mijn werk. Maar ik mis het gebouw toch wel een beetje. Vooral de gang, de interne straat die langs de tien torens slingert en waarlangs alle centrale voorzieningen liggen. Het daglicht valt in de trappenhuizen zo prachtig naar binnen en geeft de gang een levendige, warme aanblik. En heb je onze kunstcollectie en al het groen langs de muren wel eens gezien.”

Verdwaald is hij binnen nog nooit. Ook bezoekers niet. Hij heeft althans nog nooit iemand verdwaasd of uitgehongerd in een doodlopende hoekje of torenkamertje gevonden. “Toch kan ik begrijpen dat je soms niet meer weet op welke plek iemand zich in het gebouw bevindt. Ik gebruik als orientatiepunt de kleur van de liften. Zolang ze die niet verven, weet ik exact in welke van de tien torens ik mij bevind.”

Het ING-hoofdkantoor in Amsterdam-Zuidoost, een gemoedelijk kasteel vol gangetjes en kamertjes. Foto: Marcel Israel

Reageer op dit artikel