nieuws

‘Wegenbouwers zijn geen echte ondernemers’

bouwbreed

Particuliere bedrijven die openbare infrastructuur bouwen zijn welbeschouwd geen ondernemers. De opdrachtgever bepaalt wat er op welke manier wordt gemaakt, verzorgt de financiering en beheert na de oplevering de infrastructuur. De aannemer fungeert in zo’n constructie als een kleermaker die per klant een maatpak levert.

Deze gang van zaken verandert volgens directeur W. Hager van het European Center for Infrastructure Studies geleidelijk aan. Ter illustratie verwees hij op de EMIP’96-conferentie in Rotterdam naar de diverse nutsvoorzieningen die in particuliere handen zijn overgegaan. Infrastructuur gaat naar verwacht dezelfde weg op. Nu al beheren particulieren havens en vliegvelden en in sommige landen ook autosnelwegen. De oorzaak daarvan ligt enerzijds in het grotere belang van de technologie inclusief materieel, organisatie en het beheer van complexe systemen in een aanvankelijk vrij onbeweeglijke ingenieurswereld. Anderzijds reserveren overheden steeds minder geld voor activiteiten die niet uitgesproken des staats zijn.

Bedrijven die van deze nieuwe orde willen profiteren moeten volgens Hager meer ke dan alleen bouwen. Ze moeten ook een ontwerp ke maken, de financiering verzorgen, de benodigde kapitaalgoederen leveren en zonodig ook het gereedgekomen werk ke exploiteren. De bedrijven dienen al deze capaciteiten in huis te hebben, ook al wordt het po in consortiumverband uitgevoerd door gespecialiseerde deelnemers. Mede op die manier ontstaan superbedrijven die zelf een deel van de financiering verzorgen en daardoor optreden als co-investeerders. Voorbeelden daarvan bieden bouwconcerns als Hochtief en Bovis en de Franse conglomeraten Generale des Eaux en Lyonnaise des Eaux.

Geheel nieuw zijn deze ‘buitenbouwse zaken’ volgens Hager niet. Wegenbouwers namen desgevraagd altijd al andere taken op zich. Het verschil met de komende situatie ligt in het laatste woord dat de openbare sector tot op heden spreekt. Daarbij besteden de publieke diensten het extra werk nagenoeg alleen uit aan gespecialiseerde afzonderlijke aanbieders. De overheid wil met deze concurrentie tot een economische optimalisatie komen. Een adviseur kan dan tegen de laagste kosten een uitspraak doen over een ontwerp. Dat leidt echter niet per definitie tot een goedkoop ontwerp. En een goedkoop ontwerp levert niet automatisch lage beheer- en onderhoudskosten op.

Herzieningen

Contracten met een vaste prijs ke een efficiente en snelle realisatie in de hand werken. Dergelijke overeenkomsten bieden volgens Hager ook geldige redenen voor kostenverhogende herzieningen. De oplevering hangt niet zelden samen met de prioriteiten die de bouwer stelt. Overheden hoeven geen rekenschap af te leggen over de hoge kosten die te laat overgedragen werken veroorzaken. Het is zelfs niet ondenkbaar dat publieke opdrachtgevers vertragingen aanmoedigen om op die manier te besparen op de jaarlijkse uitgaven.

Een pomatige aanpak van de openbare sector kan die toestand volgens Hager aanmerkelijk verbeteren. De particuliere sector neemt in die constructie risico’s en ontvangt in ruil vrijheid van ondernemen. Bedrijven die de openbare sector bedienen willen evenwel zelden eigen geld inzetten en grotere verantwoordelijkheden nemen. De nieuwe aanpak zorgt tevens voor een tweedeling in de particuliere sector. Aan de ene kant staan de ‘systeemaanbieders’ die grote poen beheren. Aan de andere kant staan de onderaannemers die afzonderlijk delen van die poen uitvoeren. Dat gebeurt in opdracht en onder strenge kostencontrole van de particuliere hoofdaannemers.

De kleinere bedrijven voor wie nu alleen nog de rol van onderaannemer beschikbaar lijkt konden zich in de afgelopen jaren staande houden omdat de overheid grote(re) werken opsplitste in kleine(re) delen. De openbare sector bezorgde zichzelf met die opdeling weliswaar hogere kosten maar droeg daarmee wel bij aan het behoud van de plaatselijke arbeidsmarkt. Die aanpak heeft volgens Hager geen toekomst meer omdat die alleen maar tot een gestage verkleining van het werkenaanbod leidt. Nieuwe infrastructuur vergt nieuw geld, nieuwe technologie en flexibel management.

Traditioneel bouwbedrijf is gedoemd te verdwijnen

Over pakweg 25 jaar zijn aannemersbedrijven of geheel veranderd of failliet. Andere mogelijkheden komen onder een verdergaande privatisering niet voor. Het staat vast dat overheden steeds meer voorzieningen en diensten zullen overdoen aan particuliere bedrijven. Temeer omdat de private ondernemingen eerder de benodigde gelden tegen een aanvaardbaar tarief bijeen ke brengen. Particuliere realisatie zorgt verder voor snelle bouwtijden en lage kosten.

Privatisering betekent volgens directeur K. Clarke van Kvaerner Construction dat de overheid het risico uit handen geeft en in ruil daarvoor afziet van enige inmenging. In de praktijk is het eerder gebruikelijk dat de overheid weliswaar risico afgeeft maar tegelijk medezeggenschap houdt over de gang van zaken. Te denken valt aan de geprivatiseerde nutsvoorzieningen in Groot-Brittannie waar de overheid bepaalt hoeveel water van welke kwaliteit en hoeveel elektriciteit particuliere beheerders moeten leveren. Voorts stelt de overheid bepaalde voorwaarden aan de tarieven die de afnemers moeten betalen. Daar ontstaat enige wrijving door maar regels zullen het bedrijfsleven niet schaden.

Ze voorkomen bijvoorbeeld dat ondernemers uitsluitend oog houden voor jaarlijks toe te nemen winstpercentages. In het verlengde van deze constatering ligt het feit dat ondernemingen niet buiten een bepaalde vrijheid ke. Het grote verschil met de overheid is namelijk dat bedrijven failliet ke gaan wanneer poen tegenlopen. Openbare diensten die iets uitbesteden aan particulieren dienen om die reden duidelijk het voor en tegen van een werk aan te geven en moeten de discipline ke opbrengen om niet halverwege de realisatie met aanvullende of zelfs geheel andere eisen te komen.

Europese bouw wacht Brits model

De Britse bouwmarkt toont sinds enige jaren het beeld dat straks mogelijk voor heel Europa geldt. De particuliere sector financiert zonder inbreng van de overheid alle voorkomende bouwwerken. Een dergelijke gang van zaken legt de aannemer de eis op financieel deel te nemen aan werken en daarmee een groter risico te dragen. In het Verenigd Koninkrijk blijkt dat nogal wat bouwers die stap niet willen of ke maken omdat meedoen simpelweg teveel kost. De aannemerij kan met het inwinnen van afdoend advies volgens medefirmant J. Dawson van het Britse bureau Sir Alexander Gibb de risico’s beperken. In het verlengde daarvan vragen bouwers adviseurs een zeker deel van het risico te dragen. Over het geheel genomen ke bureaus gezien hun beperkte financiele mogelijkheden dergelijke lasten niet aan. De banken en de aandeelhouders trekken hier een uiterst strenge grens. Verlies op het ene werk betekent dat de consultant een ander po moet laten schieten of het faillissement moet aanvragen. Als gevolg daarvan zal de gemiddelde raadgever uitsluitend samenwerken met sterke partijen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels