nieuws

Europese bouwexport wint aan belang

bouwbreed

In 1995 boekten bouwbedrijven uit de grotere Europese landen een aanzienlijk succes buiten de eigen landsgrens. Als gevolg daarvan konden Spaanse aannemers 9 procent meer opdrachten noteren en Duitse ondernemingen 2 procent meer werk. Een groot deel van deze productie vindt in andere landen van de EU plaats. De activiteit in het oosten van Europa stagneert na drie jaar snelle groei. Dat meldt de Europese bouwfederatie FIEC in ‘Rapport 38’ (*).

Nederlandse aannemers behaalden in 1994 een buitenlandse omzet van f. 6,7 miljard. De waterbouw droeg daaraan f. 2,4 miljard bij en baggerwerk f. 2 miljard. De b en u-bouw over de grens leverde f. 1,75 miljard op. Het restant komt voor rekening van civiele werken. Om en nabij 55 procent van de buitenlandse omzet kwam in 1994 binnen Europa tot stand. Op de tweede en derde plaats staan Azie en het Midden-Oosten. De FIEC beschikte bij de voorbereiding van het rapport nog niet over de cijfers voor 1995 maar gaat ervan uit dat de resultaten beneden die uit 1994 liggen. Vooral de opbrengst uit baggerwerk neemt af als gevolg van een verminderde orderontvangst. Andere activiteiten in Europa blijven in elk geval stabiel. In het geval van het Midden-Oosten en Azie valt te rekenen met een verminderde productie.

Spanje

De contractwaarde van de internationale activiteit voor de Spaanse aannemers bedroeg in 1995 ruim f. 3,2 miljard. Het buitenlandse werk leverde vorig jaar een omzet van zo’n f. 2,4 miljard op. Ongeveer 30 procent van de afgesloten contracten hield verband met poen in de EU. Vergeleken met 1994 groeide het aantal met 38 procent. De grootste opdrachten kwamen uit Groot-Brittannie, Portugal en Italie tot stand. Om en nabij 44 procent van het internationale werk vinden de Spaanse bouwers in Midden- en Zuid-Amerika. De realisatie van waterbouwpoen en de aanleg van tol-concessiewegen nam in 1995 met 14 procent toe. De orders uit Zuidoost-Azie verminderden met 20 procent en maken 17 procent uit van het totale aantal buitenlandse contracten. Steeds meer Spaanse aannemers maken de gang naar oostelijk Europa. Daar en elders zetten ze met plaatselijke of internationale bedrijven gezamenlijke ondernemingen op. De Spaanse overheid steunt nog weinig de buitenlandse activiteiten van bouwbedrijven maar krijgt wel meer oog voor deze sector.

Duitsland

De Duitse aannemerij boekt op de buitenlandse markt een doorlopende groei. In 1994 leverde dat een orderontvangst van ruim f. 15,6 miljard op. Van dit bedrag kwam zo’n f. 2,8 miljard voor rekening van opdrachtgevers uit de EU. Gerekend over heel Europa beliep de ontvangst ongeveer f. 5,6 miljard. De cijfers over 1995 zijn nog niet compleet maar het beschikbare materiaal wijst op een opdrachttoename van om en nabij 20 procent wat een totaalbedrag van f. 19 miljard oplevert. De stijging houdt vooral verband met een grotere Europese orderontvangst. Dochterbedrijven en deelnemingen haalden ruim 95 procent van het werk binnen. Eind vorig jaar namen Duitse aannemers in 132 gevallen financieel deel in andere Europese bouwbedrijven.

Portugal

Het Portugese bouwbedrijf boerde sinds de tweede helft van 1992 goed op de Duitse markt. Mede daardoor en door de lage lonen kon de Portugese bouwexport in 1994 met 50 procent toenemen vergeleken met het voorgaande jaar. De waarde van de buitenlandse productie beliep zo’n f. 837 miljoen. De activiteiten in Duitsland hielden vooral verband met de woningbouw. De strubbelingen omtrent het wel of niet invoeren van een minimumloon in de bouw kan legale Portugese bedrijven ertoe doen besluiten hun activiteiten in de bondsrepubliek op te geven.

Frankrijk

Goede buitenlandse zaken doen ook de Franse aannemers. In 1994 steeg het aantal werken met 9,2 procent om in 1995 met nog eens 5 procent toe te nemen. Het aantal nieuwe contracten vermeerderde vorig jaar met 15 procent. Deze resultaten komen nagenoeg alleen voor rekening van de grote ondernemingen. Slechts enkele kleine en middelgrote bedrijven boeken succes buiten de Franse markt. Het succes van de Franse bouwexport houdt voor een niet onaanzienlijk deel verband met de resultaten die de bouwers op de thuismarkt ke tonen. Vermindering van het aantal grootschalige poen in eigen land zal naar verwacht invloed uitoefenen op de buitenlandse orderontvangst.

Italie

De buitenlandse orders voor de Italiaanse bouw namen in 1995 nominaal af met 11 procent en reeel met 9,6 procent. In 1994 moest de sector nog respectievelijke dalingen van 21 en 24 procent noteren. Europa en het Amerikaanse continent verstrekken minder opdrachten terwijl Azie en vooral Afrika meer bestellen. De activiteit in het midden en oosten van Europa neemt fors af na een opmerkelijke groei in 1994. In 1995 sloten Duitse opdrachtgevers 45,5 procent van de nieuwe contracten af met de 62 Italiaanse bouwbedrijven die sinds jaar en dag over de grens werken. Ontwikkelingslanden verstrekten 45,5 procent van de nieuw afgesloten internationale contracten, gevolgd door de geindustrialiseerde- en olie-exporterende landen met respectievelijk 29,5 en 25 procent. Weg- en waterbouwwerken bepaalden voor respectievelijk 36,5 en 33 procent de aard van de opdrachten. In 1995 openden de Italiaanse aannemerijen 354 bouwplaatsen in 80 landen. In 1994 ging het om 415 bouwplaatsen in 84 landen.

(*) Nadere inlichtingen verstrekt de FIEC via telefoon (32) 2 5145535 en fax (32) 2 5110276.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels