nieuws

Als het fout blijft gaan!

bouwbreed

Waar gewerkt wordt, worden fouten gemaakt. Ook in de bouwwereld. Maar het lijkt wel of we ook daar van onze fouten niet leren. Zelfs bij een simpel project als de bouw van een garage naast een woonhuis werden bijna alle fouten gemaakt, die er gemaakt konden worden.

De eigenaar van een pas aan hem opgeleverde woning bedenkt dat hij toch ook wel een garage naast zijn huis wil hebben. Hij geeft daarom aan een architect mondeling opdracht om daarvoor een ontwerp te maken en de bouw te begeleiden. Een zogenaamde volledige opdracht, waar de SR 1988 – zonder de term te gebruiken – vanuitgaan.

De architect schakelt de constructeur in met wie hij al 25 jaar samenwerkt; met de tekeningen van de architect en de berekeningen van de constructeur wordt medio 1989 een bouwvergunning aangevraagd, die vier maanden later wordt verkregen.

De bouwsom wordt door de architect op f. 25.000 geraamd en op basis daarvan en de volledige opdracht komt hij tot een berekening van zijn honorarium van f. 3452,50 exclusief btw en kosten constructeur.

Het eerste probleempje laat niet lang op zich wachten: de architect kan zo gauw geen aannemer vinden die de garage kan of (voor vijfentwintigduizend gulden) wil bouwen. De opdrachtgever gaat dus zelf op zoek en krijgt een offerte van f. 37.000. Hij geeft dat door aan zijn architect; samen komen zij tot de conclusie dat het offerte-bedrag niet onredelijk is, omdat ze ook offertes tot f. 45.000 hadden gekregen. Het werk wordt dus gegund en onder directie van de architect uitgevoerd.

Het tweede probleem is ernstiger. Een jaar na de oplevering wordt niet alleen scheurvorming geconstateerd aan de voorkant van de garage, maar ook ontdekt men dat de betonnen vloer los komt van de muren. In overleg met de constructeur worden op kosten van de aannemer drie pulspalen onder de bouwmuurbalk aangebracht.

Daarna ontstaan problemen met de automatische garagedeur; deze geven de eigenaar aanleiding zijn architect weer eens in te schakelen. Samen met de aannemer en de constructeur stelt die een onderzoek in. Conclusie: bij de bouw zijn te korte heipalen gebruikt.

De constructeur denkt dat het probleem opgelost kan worden door de al geplaatste drie buispalen te verlengen met drie meter en er nog eens drie buispalen van 19 meter bij te plaatsen. Maar de opdrachtgever vertrouwt het zaakje niet meer en geeft aan een ingenieursbureau opdracht de oorzaken van de verzakking te onderzoeken. Dat bureau komt tot dezelfde conclusie, maar verbindt er een ander advies aan: afbreken die hele hap en opnieuw opbouwen. Kosten bijna f. 74.000.

Dit bedrag eist de eigenaar bij het Arbitrage Instituut Bouwkunst, samen met nog eens f. 12.700 aan andere kosten, van de architect. De kernvraag in deze procedure is niet aan wie de foute berekening van de paallengte geweten moet worden, maar wie daarvoor aansprakelijk is. De oorzaak van die veel te korte lengte is wel duidelijk. De constructeur is bij zijn berekening uitgegaan van een oude sondering. Die was niet alleen op minstens tien meter afstand van de geplande garage gemaakt, maar was ook onbruikbaar omdat er later een grondophoging van 1,5 meter had plaatsgevonden.

Dat zou toch gemerkt moeten zijn bij het heien, zou je zo zeggen. Je merkt toch dat de palen niet op stuit komen. Nee, toevallig hier niet; de houten palen waren voorzien van betonnen oplangers. Die ondervonden in de opgehoogde en aangetrilde grond zoveel weerstand, dat men dacht dat de palen ‘op de vaste’ stonden. De verzakking ontstond door de negatieve kleef.

Heel opvallend in deze arbitrage-procedure is, dat de vraag wie verantwoordelijk was voor het onjuiste gebruik van de sonderingsgegevens, niet aan de orde komt. De aannemer had die gegevens aan de constructeur gegeven en die had aan de hand daarvan de lengte van de funderingspalen berekend.

De aangesproken architect beriep zich op artikel 58 van de SR 1988. Dit zegt, dat hij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor een door een derde gemaakt ontwerp. Was de constructeur dan ten opzichte van de architect een derde? Het feit dat de architect hem had ingeschakeld hoefde immers nog niet te betekenen, dat hij dat voor eigen rekening en risico deed. De SR (art. 8) bepalen immers, dat de architect bij de vervulling van zijn opdracht als gemachtigde van de opdrachtgever optreedt, tenzij uitdrukkelijk anders is overeengekomen. Het feit, dat de opdrachtgever de constructeur rechtstreeks had betaald, wees daar volgens hem ook op.

De arbiter van het A.I.B. vond, dat een eenmalige opdrachtgever ervan mag uitgaan dat zijn architect-vertrouwensman, die zich bedient van een constructeur, dat doet onder zijn verantwoordelijkheid. Dat de SR anders bepalen zei hem niets. De architect had zijn opdrachtgever immers niets verteld over de toepasselijkheid van de SR, laat staan over dat bewuste artikel 8.

Dat artikel regelt overigens niet de inschakeling van adviserende derden; dat doet artikel 9, aldus de arbiter. Het moet in onderling overleg gebeuren staat daar. De scheidsman van het A.I.B. las er nog veel meer in: “wanneer de architect zich erop beroept als vertegenwoordiger van zijn opdrachtgever een adviseur te hebben ingeschakeld, kan zulks alleen dan aan de orde zijn, wanneer de opdrachtgever de architect daartoe uitdrukkelijk gemachtigd heeft”. Alsof hij schrikt van zo’n boude uitspraak, zwakt hij die meteen weer af. De opdrachtgever moet zich er tenminste van bewust zijn, dat de opdracht namens hem door de architect werd verstrekt.

Dat lijkt redelijk, maar het is niet het systeem van de SR 1988. Dat gaat er m.i. van uit, dat de opdrachtgever persoonlijk aan derden opdrachten moet verlenen. De algemene vertegenwoordigingsbevoegdheid van de architect lijdt daar dus uitzondering, zoals dat ook in een aantal UAV-paragrafen is bepaald. Zo is in par. 8 lid 4 UAV de verlenging van de opleveringstermijn aan de opdrachtgever persoonlijk voorbehouden. Zo’n beslissing van de “gemachtigde” architect moet dus als nietig worden beschouwd.

In ons geval zou de arbiter de inschakeling van de constructeur door de architect als onbevoegd hebben ke kwalificeren en op die grond elke fout van hem voor de verantwoordelijkheid van de architect hebben ke brengen. De formele grond daarvoor zoekt de scheidsman ergens anders: nu hij zo nadrukkelijk van artikel 9 SR 1988 was afgeweken kan hij zich niet meer op zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid beroepen.

Wat hij nu precies in strijd met dat artikel had gedaan vertelt de arbiter ons niet. In het eerst lid wordt alleen in feitelijke bewoordingen gezegd, dat de opdrachtgever geen opdracht aan derden geeft dan in overleg met zijn architect. Dat lijkt meer een beschermende bepaling voor de architect dan een verplichting van hem om het initiatief voor zo’n overleg te nemen. Het tweede lid geeft aan wat er in dat overleg bepaald moet worden: de aan te stellen adviseurs en de door hen te verrichten werkzaamheden. Het belangrijkste (vijfde) lid wordt maar helemaal genegeerd: daarin staat nu net, dat de architect voor die adviezen niet verantwoordelijk is.

Met de motivering, die deze arbiter aan dit vonnis geeft ben ik dan ook niet erg gelukkig. Zijn uitgesproken opvatting dat de constructeur geen contractspartner was van de opdrachtgever, maar voor rekening en risico van de architect werkte, leidt wel tot een op zichzelf billijke uitspraak, maar als vonnis is het niet bepaald een goede aanvulling op onze bouwrecht-jurisprudentie.

En dan praat ik nog niet eens over de vraag of deze arbiter zich niet onbevoegd had moeten verklaren. De SR, waarin partijen die bevoegdheid overeenkomen, waren immers niet eens van toepassing; de SR waren – in strijd met art. 3 lid 6 daarvan – niet door de architect met het door hem opgestelde concept van zijn opdracht meegestuurd.

In zijn overweging, dat een architect die zich bedient van een constructeur, zijn eenmalige opdrachtgever bindt had de arbiter immers niets met de SR, die dat anders regelt, te maken. Daar zegt hij toch ook, dat de architect zijn opdrachtgever niets had verteld over de toepasselijkheid van die SR.

Maar onze arbiter past eerst die algemene voorwaarden toe als hij nagaat of hij wel bevoegd is en daarna nog eens bij de beoordeling van het geschil. Het lijkt wel wat op de arbitrage bij de Europese voetbalkampioenschappen in Engeland deze zomer.

(BR 1996 p. 521)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels