nieuws

VROM bevestigt juistheid van citaten uit prognosemodel

bouwbreed

Het ministerie van VROM heeft bevestigd dat de cijfers die Cobouw heeft gepubliceerd over de financiele toekomst van de sociale huursector kloppen. “De vermelde getallen zijn op zich juist”, aldus staatssecretaris Tommel in antwoord op Kamervragen.

Vorige maand lekte via deze krant het prognosemodel uit. Dit is een model, waarmee aan de hand van een aantal scenario’s de financiele toekomst van de corporaties na de brutering in kaart kan worden gebracht.

Uit het rapport van het Delftse bureau AB Onderzoek, waarin het prognosemodel wordt beschreven, komt een uiterst somber beeld naar voren. Uitgaande van een investeringsprogramma van rond de f. 60 miljard, een rente van 7%, een inflatie van 3% en een huur van 3,8% is de sector technisch gesproken failliet: geen eigen vermogen en een negatieve rentabiliteit en solvabiliteit.

Het ministerie van VROM liet direct na publikatie van het artikel een persbericht uitgaan waarin werd gesteld dat de berichtgeving in Cobouw onjuist was. Desondanks vormde de informatie voor de Kamerleden Jeekel (D66) en Biesheuvel (CDA) aanleiding voor het stellen van vragen.

Tommel erkent nu in zijn antwoorden toch dat er juist is geciteerd uit het prognosemodel. “De vermelde getallen zijn op zich juist.” Hij voegt daar echter direct aan toe: “Het betreffen theoretische exercities, die bedoeld zijn voor het in beeld brengen van ‘de brandbreedte/marges’, en waarbij geen weging tussen reele huurstijging en investeringsniveau heeft plaatsgevonden.”

De staatssecretaris wijst er ook op dat er niet volledig is geciteerd. In het rapport staan ook rekentechnische uitkomsten vermeld die een stijging van het eigen vermogen laten zien. Dit is bijvoorbeeld het geval als de huren met meer dan 3,8% stijgen. Tommel gaat niet in op het theoretische karakter van deze rekenkundige excercitie.

Revolving fund

Volgens de bewindsman is de ‘revolving fund’-gedachte uit de nota Volkshuisvesting in de jaren negentig (het idee dat de financieel verzelfstandigde corporaties zichzelf ke bedruipen) nog steeds geldig. Maar: “Daarbij moet uiteraard wel in het oog worden gehouden dat het tempo van realisatie afhankelijk is en blijft van de samenhang tussen de ontwikkelingen in de rente, de inflatie en daarmee ook de huurstijging, alsmede de investeringsambitie.” Met name over het noodzakelijke niveau van de huurstijging in de komende jaren bestaat nog verschil van mening tussen staatssecretaris Tommel en de landelijke centrales van woningcorporaties.

Maar ook het investeringsprogramma staat nog allerminst vast. Tommel stelt in ieder geval in zijn antwoord op Kamervragen van CDA-er Biesheuvel dat het gemelde investeringsprogramma van f. 60 miljard “zeker niet kan worden gezien als een minimum-investeringsprogramma”.

De conclusie dat de sociale sector bij ongewijzigd beleid een bankroet te wachten staat deelt Tommel niet. Ten eerste heeft de sociale huursector een solide financiele basis. Ten tweede is de handhaving van de financiele continuiteit van de sector uitgangspunt van beleid voor de D66-staatssecretaris. Het huur- en investeringsbeleid zijn daaraan ondergeschikt.

Ten derde zijn er het Waarborgfonds Sociale Woningbouw en het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting om bij de financieel zwakke corporaties de vinger aan de pols te houden.

Tommel benadrukt in dit verband de eigen verantwoordelijkheid van de corporaties: “Het voorgaande neemt uiteraard niet weg dat primair de individuele instellingen zelf ervoor zullen (moeten) zorgdragen dat financiele positie, huurinkomsten en (onrendabele) investeringen goed op elkaar blijven afgestemd.”

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels