nieuws

Koninklijk Verbond nog niet helemaal tevreden Baksteenindustrie mag blijven werken in uiterwaarden

bouwbreed

De recente hoge waterstanden van Maas en Rijn hebben het rijk ertoe gebracht paal en perk te stellen aan het bouwen in de uiterwaarden. Een strop dreigde voor de baksteenfabrikanten. Uit de nu door VROM en Verkeer en Waterstaat naar de Kamer gestuurde beleidslijn blijkt dit nogal mee te vallen. Maar het Koninklijk Verbond van Baksteenfabrikanten is nog niet helemaal tevreden.

In de nota ‘Ruimte voor de rivier’, die de ministers Jorritsma en De Boer onlangs naar de Kamer hebben gestuurd, wordt een strenger beleid voorgesteld voor bebouwing van de uiterwaarden. In de loop der tijd is de ruimte voor de rivieren verminderd. Naast bezinking van zand, grind en slib is ook bebouwing in het winterbed hier debet aan. Gevolg is dat de kans op extreem hoge waterstanden is toegenomen.

Om die reden wil het rijk nieuwbouw in de uiterwaarden zoveel mogelijk weren. Eigenlijk mag er niks meer worden gebouwd, behalve scheepswerven, overslagbedrijven en kunstwerken zoals bruggen, sluizen en waterkeringen. Zodoende vallen ze in de ‘ja, mits’-categorie, waarbij de nieuwbouw aan een aantal voorwaarden moet voldoen.

De beleidsnota kent een ontsnappingscausule: dat is de ‘nee, tenzij’-categorie. Hier vallen de steenfabrieken onder. Nieuwbouw in deze categorie mag alleen wanneer er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang, er eigenlijk niet buiten de uiterwaarden gewerkt kan worden en de activiteit geen belemmering vormt om in de toekomst de afvoercapaciteit van het rivierwater te vergroten.

Zwaarwegend belang

Uit een concreet voorbeeld in de nota waarbij de uitbreiding van een steenfabriek bij de kop wordt gepakt blijken deze fabrieken ruimschoots aan de criteria te voldoen. Het zwaarwegende maatschappelijke belang is aanwezig omdat de fabrieken een belangrijk aandeel hebben in de regionale werkgelegenheid. Ook ke ze niet buiten de uiterwaarden, vanwege de noodzakelijk relatie met het kleiwingebied. Tenslotte staan ze een toekomstige vergroting van de afvoercapaciteit veelal niet in de weg.

Niks aan de hand dus, zo lijkt het. Maar mr. G.J.A. Sigmond, door de verbond van baksteenfabrikanten ingehuurd om de baksteenfabrieken op de politieke agenda te krijgen, is nog niet helemaal tevreden. “Vergeleken met het aanvankelijk standpunt van het rijk is er sprake van een verbetering. Aanvankelijk leek de dreiging aanwezig dat 24 fabrieken zouden moeten worden verplaatst. Een vernietiging van kapitaal van f. 710 miljoen. Zoals het er nu naar uitziet zal dit niet doorgaan. Maar het vervelende is wel dat we in de ‘nee, tenzij’-categorie terecht zijn gekomen. Dat geeft de lagere overheden en insprekers, die vaak om hele andere redenen bezwaar tegen een steenfabriek hebben, meer instrumenten in handen.”

Sigmond hoopt daarom dat de Tweede Kamer nog een lans zal breken de uitbreiding van steenfabriek in de ‘ja, mits’-categorie onder te brengen. Sigmond: “De fabricage van bakstenen is een industrie die per definitie nu en dan moet uitbreiden. Het is echter goed beheersbaar, en we zijn in staat de afvoercapaciteit die we wegnemen te compenseren. Daarnaast geven we ook door het winnen van onze grondstof de rivier meer ruimte.”

De vaste Kamercommissie voor Verkeer en waterstaat houdt op 8 mei een procedurevergadering over de beleidsnota.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels