nieuws

Dulden van bouwoverlast

bouwbreed

Zij, die in de nabijheid van bouwactiviteiten wonen of een bedrijf hebben, zullen een zekere mate van hinder en overlast moeten dulden. In een grote stad als Rotterdam met veel bouwactiviteiten geldt dat ook, zeker als je wist dat er gebouwd zou gaan worden toen je daar vlakbij ging wonen of er een bedrijf vestigde. Die les leerde ons de President van de Rotterdamse Rechtbank, maar dat was eigenlijk niets nieuws.

De afdeling rechtspraak van de Raad van State besliste een tijdje geleden al, dat de eigenaar van een garage aan de Adamshofstraat in de Maasstad geen recht had op een vergoeding van de schade die hij leed door de metrobouw. Rotterdam had in een gemeentelijke verordening, de zogenaamde Schiedamseweg-regeling, vastgelegd wie voor een vergoeding van de door de metrobouw veroorzaakte schade in aanmerking kwamen.

De garagehouder viel daar niet onder, maar hij vond dat hij op grond van het gelijkheidsbeginsel wel recht had op een tegemoetkoming voor zijn verminderde benzineverkoop. Nee, zei de rechter, er bestaat geen algemeen beginsel op grond waarvan de overheid de schade, die het gevolg is van zijn rechtmatig handelen, geheel of gedeeltelijk moet vergoeden. Omdat de Adamshofstraat maar aan een kant was afgesloten was Rotterdam niet in redelijkheid verplicht aan deze garagehouden een vergoeding te geven op dezelfde basis als de aan beide zijden afgesloten Schiedamseweg.

Ook voor de aanleg van de Willemsspoortunnel trof Rotterdam in 1990 een schadecompensatieregeling, maar de bouw van een groot kantoorpand aan de Blaakzijde en de Soetensteeg leverde niet zoveel overlast op dat daarvoor een aparte regeling nodig was.

Omdat de voor die bouw nodige materialen voor een groot gedeelte op de openbare weg opgeslagen moesten worden betekende dat toch wel wat overlast. Niet alleen voor passanten, maar ook voor de eigenaar van het horeca-bedrijf, dat werd uitgeoefend in een aantal binnenschepen, die gemeerd lagen in de Leuvekolk.

Vandaar de naam van dit restaurant: ‘De Scheepjes’.

De eigenaar daarvan voelde zich benadeeld door het feit, dat de bouwer van het kantoorgebouw, de HBM, de openbare weg gebruikte voor de opslag van zijn bouwmaterialen. Dat was onrechtmatig, zei hij, want het gebeurt zonder vergunning van de gemeente.

Maar wat had ‘De Scheepjes’ dan voor nadeel van die materiaal-opslag? Wel, het zicht op mijn bedrijf wordt erdoor ontnomen, zo klaagde de eigenaar in het kort geding dat hij zowel tegen de pomanager Coteba als tegen de HBM aanspande. Bovendien zijn er cementresten terechtgekomen op het bovendek van mijn schepen en op 17 maart heb ik zelfs een gereserveerd diner moeten afzeggen, omdat ik op last van de politie mijn bedrijf moest sluiten. Die voortdurende hinder was voldoende reden om aan de President een spoedeisende voorziening te vragen, maar bij diens behandeling van de eis om aan Soteba en HBM te verbieden schade toe te brengen en zonder vergunning bouwmaterialen op de openbare weg op te slaan, bleek al gauw hoe vreemd die eis was.

In de eerste plaats had HBM al aan de eigenaar van ‘De Scheepjes’ aangeboden om borden of andere vormen van reclame aan te brengen om de aandacht op de plaats en de bereikbaarheid van het etablissement te vestigen. Bovendien had die bekende bouwer nog in dezelfde maand als waarin het restaurant op last van de politie gesloten moest worden, daarvoor een schadevergoeding van f. 5000 aangeboden.

Coteba wees er op, dat de gemeente voor de opslag van de bouwmaterialen een zogenaamd loopbriefje had afgegeven. En, zo beleerde hij de rechtskundige vertegenwoordiger van de eisende partij: “een loopbriefje is geen vergunning, zoals jij denkt, maar een schriftelijk stuk, waarin de gemeente als eigenaresse van de openbare weg, coordineert op welke wijze van de openbare weg voor een bepaald doel gebruik wordt gemaakt”. In dat loopbriefje was wel het nodige geregeld over de veiligheid van het wegverkeer, het voorkomen van schade aan kabels en leidingen, de brandveiligheid en de staat van het wegdek en groenstroken. Er is echter niets in te vinden over de bescherming van belangen van o.a. ‘De Scheepjes’.

Dat betekende natuurlijk niet, dat die bescherming alleen maar door de gemeente gewaarborgd wordt. Ons recht gaat er immers van uit, dat het in beginsel altijd onrechtmatig is om schade aan een ander toe te brengen. De President van de Rotterdamse rechtbank constateerde dan ook dat het hier in feite ging om de vraag of het wel nodig was die bouwmaterialen vlak bij ‘De Scheepjes’ op te slaan en of het ontnemen van het zicht op dat bedrijf onrechtmatig was omdat er geen vergunning was verleend.

De enige vergunning waar hier sprake van kon zijn was de bouwvergunning voor het kantoorpand; het ‘loopbriefje’ was dat in ieder geval niet en daarom kon de onrechtmatigheid van de opslag niet gelegen zijn in het “opslaan zonder de daartoe vereiste vergunning”. Er is toch geen speciale vergunning vereist voor het plaatsen van voor een bouw benodigde bouwmaterialen, hekken en bouwketen, zo vond ook de President.

En die schade, waarvoor een vergoeding wordt geeist, kan heel goed in der minne geregeld worden, zei hij. Omdat het aanbod van de HBM hem kennelijk heel redelijk voorkwam, nam hij dat onderdeel van de eis niet eens in behandeling! De eis tot het verbieden om “materiele schade toe te brengen” was ook veel te vaag en op geen enkele manier geconcretiseerd; ook die kon daarom niet worden toegewezen.

Al met al geen sterke beurt van de rechtskundige, die door de eigenaar van ‘De Scheepjes’ was ingehuurd. Die kon nog wat leren van dit vonnis, waarin hem (of haar?) duidelijk werd gemaakt, dat – zoals de President zei – in het centrum van een grote stad met veel bedrijvigheid en waarin al jaren omvangrijke bouw- en verbouwingsactiviteiten worden ontplooid, degenen, die in de nabijheid van die activiteiten woonachtig of gevestigd zijn, een zekere mate van hinder/overlast zullen moeten dulden.

Deze rechtskundige zou er verstandiger aan gedaan hebben de eigenaar van dit bedrijf er direct op te wijzen, dat hij te maken had met fatsoenlijke en welwillende bedrijven en dat ons recht er vanuit gaat dat we in deze samenleving wel wat overlast van anderen moeten accepteren.

(BR 1996 p. 357)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels