nieuws

‘Het probleem is dat ik nooit mijn bek kan houden’

bouwbreed

Jan G. Nelis (57) zit eigenlijk zijn hele leven al in de bouw. Hij is dol op ‘gekke poen’, maar beseft terdege dat er ook saaie rijtjeshuizen gebouwd moeten worden. Innovatie heeft hij hoog in het vaandel staan, zowel in zijn eigen bedrijf als voor de bouw als geheel. Hij reisde de wereld over met ex-minister Winsemius en legde kilometers weg aan in Mali. Al sinds 1966 zet hij zich in voor het georganiseerde bouwbedrijf. “Ik heb mijn vrouw beloofd: als het Bouwhuis er staat houd ik het voor gezien.” Een portret.

Jan Nelis zit ontspannen achter het stuur van zijn ferme Amerikaan als we op een regenachtige middag op zoek zijn naar een goede locatie voor een foto. Aanvankelijk wil hij voor de St. Bavo gefotografeerd worden, de Haarlemse katholieke kerk die momenteel onder zijn leiding wordt gerestaureerd. Vanwege het sombere weer zoekt de fotograaf naar een andere locatie. Gekozen wordt voor een plaatje bij de ‘Punaise’, het innovatieve baggerwerktuig dat zijn bedrijf ontwikkelde en momenteel op de werkplaats van zijn bedrijf, J.G. Nelis BV, in Haarlem ligt.

De fotograaf ziet wel een mooie compositie. Maar dan moet Nelis wel ‘effe’ op een zuigpijp, voor de punaise, gaan staan. Of hij daar bezwaar tegen heeft?

De pijp is hoog, nat en glad en er is geen ladder in de buurt. Terwijl de regen blijft stromen haalt Nelis een chauffeur en regelt een shovel. Staande in de bak van het voertuig wordt hij op de glibberige buis getild. “Het is maar goed dat er geen arbo-consulent in de buurt is”, zegt hij na afloop.

In gesprek op zijn werkkamer blijkt Nelis een no nonsense-mens te zijn. Een aannemer in hart en nieren, met een bijzondere belangstelling voor innovatie en een grote drang zich in te zetten voor de gezamenlijke belangen in de bouw. Sinds het begin van de jaren zeventig leidt hij het bedrijf, dat zijn vader in 1933 begon en inmiddels is uitgegroeid tot een aannemingsbedrijf dat in vrijwel alle disciplines van de bouw actief is. Het biedt werk aan zo’n 500 mensen.

Gesepareerde clubjes

Al vanaf het begin van zijn carriere is Nelis actief in besturen van de branche-organisaties in de bouw. Sinds een aantal jaar is hij vice-voorzitter van het AVBB. “Het probleem met mij is dat ik nooit mijn bek kan houden. Al in 1966, toen ik mijn eerste schreden in het de georganiseerde bouw zette, had ik zo mijn ideeen over hoe het beter kon. Ik zou de wereld wel eens even veranderen. Ik vond bijvoorbeeld toen al, en vind dat nog steeds, dat we over-georganiseerd zijn. Waarom al die gesepareerde clubjes, en niet een grote organisatie? Ik heb altijd een ideaalbeeld gehad van een groot terrein waar alle bouworganisaties in een bolvormig gebouw, omringd door torens, onderdak vinden. Behalve de werkgevers vind je daar de onderzoeks- en vakopleidingsinstituten en in een aparte toren de vakbonden. Dat soort ideeen heb ik nooit voor me ke houden. En, zoals dat gaat als je je visie verkondigt: men vond dat ik dan maar zitting moest nemen in commissie zus of bestuur zo om aan die visie vorm te geven. Mooie tijden hoor, maar wel tropenjaren. Altijd maar lezen en vergaderen en daarnaast het bedrijf leiden, samen met mijn broer.”

Dolle dinsdag

Zijn vader, J.G. Nelis sr., begon het bedrijf met het vervoeren van zand, voornamelijk voor gemeenten. Al snel ging hij als onderaannemer aan de slag voor onder meer Ballast Nedam. Tijdens de oorlog lag de zaak plat. De Duitsers hadden zes van de tien vrachtwagens die het bedrijf telde gevorderd. De overige vier werden door senior net op tijd uit elkaar gehaald om ze te verbergen onder een berg zand. Op Dolle Dinsdag haalde hij ze weer tevoorschijn, verfde ze oranje en reed er mee rond om de Duitsers pesten. Oranje is tot op heden de kleur van het bedrijfslogo.

Na de oorlog maakte het bedrijf een stevige groei door. Hoogovens in IJmuiden werd een grote klant en is dat nog steeds. In 1949 kwam er een poot voor civiele betonbouw bij. De groei zat erin.

Nelis ‘jr.’ kreeg de aannemerij met de paplepel ingegoten. Op z’n tiende jaar reed hij met de chauffeurs mee en in vakanties ging hij met zijn vader naar aanbestedingen. In tegenstelling tot zijn vader kreeg hij een gedegen opleiding. “Mijn vader zei: ‘ga jij maar studeren, dat hoef je niet met de pet in je hand naar de opdrachtgevers’.” Hij deed de TU, met als bijvakken management en economie. Nelis raakte geinteresseerd in innovatie. “Ook mijn vader was altijd bezig met vernieuwing. Vooral op het gebied van materieel. Dat was echt zijn hobby”, wijzend naar een vitrine met schaalmodellen van shovels en kranen. “Zelf heb ik nooit zo’n interesse gehad in materieel.”

Drang naar vernieuwing

“Toen ik net in het bedrijf kwam heb ik me beziggehouden met het vernieuwen van de organisatie en de administratie. De eerste computers deden hun intrede. Die vervingen de ouderwetse doorschrijfboeken.” Het bedrijf heeft inmiddels een groot aantal octrooien en nog steeds is de drang naar vernieuwing aanwezig. “Aan een po van vijftig rijtjeshuizen beleef ik weinig lol. Natuurlijk moeten we ook dat soort werken doen, maar zelf houd ik meer van de bijzondere poen. Daar is ook ruimte voor in dit bedrijf. Als iemand een goed idee heeft, wordt het meestal uitgewerkt. Op die manier zijn we aan de ‘Punaise’ gekomen en zijn we een strategische samenwerking aangegaan voor geboorde tunnels (met Obayashi). In de jaren zestig waren we de eerste met trilheiblokken, voor het vervangen van rioleringen in steden.

Zo heb ik me laatst laten strikken voor de COB/CUR (onderzoekscommissie ondergronds bouwen). Weer een hoop leeswerk. Maar zoiets kan je toch niet voorbij laten gaan. We gaan ondergronds bouwen in Nederland. Daar moet je bij zijn…!!”

Ook samenwerking kan volgens Nelis innovatief werken. “Ik ben de wereld rond geweest, samen met onder anderen Winsemius, voor de International Road Federation. En voor Aduco (samenwerkingsverband van vier Nederlandse familiebedrijven in het buitenland). Die samenwerking kwam tot stand in het vliegtuig. Ik was op reis naar Saoedie-Arabie en kwam tot de ontdekking dat Bruil ook in het vliegtuig zat en op weg was naar de dezelfde opdrachtgever. Ik zei: ‘waarom doen we dat niet samen?’.”

Grote blunders

“We zijn begonnen in Mali. Daar moesten we 300 kilometer weg aanleggen. Dwars door de woestijn. We hebben de gekste poen gedaan, vooral in Afrika, maar ook in Saoedi-Arabie. Het is erg leerzaam, want de situatie en de omstandigheden zijn zo anders dan hier. Je maakt soms grote blunders. Maar het omgekeerde heb ik ook meegemaakt. Dat was in de tijd dat er gasleidingen in de Veluwe en in Friesland moesten worden aangelegd. De Amerikanen en de Fransen hadden ingeschreven op dat werk. De Amerikanen kwamen met enorm materieel aanzetten. Van die grote ‘ditchers’. Dat werkte snel, maar ze hielden geen rekening met al die slootjes in het Hollandse landschap. Dat soort kruisingen, met zulk zwaar materieel…dat lukte natuurlijk niet. We hebben daar nog een hoop werk aan overgehouden”, zo voegt hij er lachend aan toe.

Niet te eigenwijs

Zijn zoon Joost zal het bedrijf straks waarschijnlijk overnemen. “Hij is nu aan het werk als ‘trainee’ calculatie en uitvoering bij Volker Stevin. Hij moet eerst het vak leren en zich een beetje bewijzen. Je kan toch niet zeggen (wijzend op zijn stoel): ‘Ga daar maar zitten’. Op het moment dat het zover is, zou ik hem als advies geven niet te eigenwijs te opereren. Je moet altijd blijven luisteren naar anderen. Toen ik de fakkel van mijn vader overnam, ging dat eigenlijk heel vloeiend. Hij is nog een tijd voor het bedrijf actief geweest. Er was een kamer voor hem. Hij had geen moeite met de accenten die ik in het beleid verlegde. Zo heb ik meteen een ondernemingsraad opgezet. Mijn vader had veel contact met de werkvloer, maar ongestructureerd. Hij had er een hekel aan om dat soort zaken te formaliseren.”

De restauratie van de Haarlemse St. Bavo is een van de weinige hobby’s die Nelis er op na houdt. “Ik maak werkweken van 60 uur of meer. Al zou ik zelf niet alles, met een borreltje op een receptie staan bijvoorbeeld, als werk willen betitelen. Maar alles bij elkaar genomen, inclusief de grote hoeveelheid stukken die ik voor het AVBB moet lezen, is het veel. Ja, ik golf af en toe, maar echt sporten is er niet meer bij. Vroeger voetbalde ik drie keer per week, maar op een gegeven moment heb je daar geen tijd meer voor.

Aan de restauratie van die kerk beleef ik veel plezier. Je moet creatieve oplossingen verzinnen. Laatst hebben we ons gebogen over hoe de koepel aan binnenkant geschilderd moet worden. De kerk blijft open, dus er ke geen steigers worden neergezet. Daarom is besloten een vloer met rolsteigers op te hangen. Maar bij een vloer op zo’n hoogte komt de Arbeidsinspectie om de hoek kijken. En vergeet de kosten niet.”

Bouwhuis

Op het bestuursvlak wil Jan Nelis niet al te lang meer actief blijven. “Ik zeg wel eens: ‘als het Bouwhuis er staat dan ga ik weg’. Mijn vrouw wil graag dat ik wat meer vrije tijd neem. Maar ik kan moeilijk nee zeggen. Ik vind het beleid voor de bedrijfstak ook zo verdomd interessant. Ik ben begonnen in de tijd dat de besturen werden bevolkt door representanten van de grote familiebedrijven. Mijn hart lag eigenlijk meer bij de prijsregelende organisaties: de WAC en de vereniging van Samenwerkende Prijsregelende Organisaties. Het ging in die tijd allemaal heel anders. Het was een hele eer als je werd voorgedragen voor een bestuur. Je werd dan gekeurd door een groep heren rond een tafel. Strak in het pak en allemaal een sigaar.

Ik ben begonnen bij de contactgroep NVWB-West. Daar leer je besturen. Het is nu een stuk zakelijker geworden. Het is merkwaardig te bedenken dat ik begon onder Prins en zal stoppen onder Brinkman.

Soms denk ik dat we het fout hebben gedaan. Zoals ik al zei: we zijn over-georganiseerd. We doen nu pogingen om een efficienter apparaat te krijgen, maar het gaat soms zo moeizaam. Als ik nou zie dat de fusie tussen NVWB en VAGWW weer niet doorgaat, dan word ik daar zo moe van.

Het heeft te maken met de verdeeldheid in de bouw. Vaak zie ik in mijn eigen bedrijf een weerspiegeling van de georganiseerde bouw. Een soort klein AVBB’tje. De b en u-jongens denken heel anders dan hun collega’s in de gww. Ik heb zelfs twee logo’s: de b en u- en projectontwikkelingspoot vonden het oranje dat voor het gww-bedrijf wordt gebruikt niet chic genoeg. Voor hen kwam er een blauw logo, wat uiteindelijk is geintegreerd tot een beeldmerk met paars en oranje. Het is een wereld van verschil.

Hoe we dat in AVBB-verband op moeten lossen weet ik niet. Het gedonder dat we bij de vorige cao-onderhandelingen hebben gehad wil ik niet meer hebben. Maar er zijn zoveel belangen. Zelf probeer ik het centrale belang in de gaten te houden. Ik zeg wat me op het hart ligt. Je kan niet met iedereen rekening houden. Ik ben geen diplomaat, al zeggen ze hier in het bedrijf wel eens dat ik steeds meer als een politicus ga praten.”

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels