nieuws

Op weg naar een duurzame samenleving

bouwbreed

Dertig jaar lang was Leo de Zeeuw (60) in de gww-sector werkzaam, waarvan de laatste tien jaar als poontwikkelaar bij Heidemij. Sinds zijn vervroegde uittreding vorig jaar stelt hij zijn tijd en opgedane ervaring ten dienste van een ander doel: de door hem in het leven geroepen Stichting Duurzame Samenleving Irian Jaya (S.D.S.I.). In de structurele hulpverlening aan de Papoea’s, de oorspronkelijke bewoners in dit gebied, ziet hij een voortrekkersrol weggelegd voor de Nederlandse bouwsector. “Het wegwerk in Irian Jaya is essentieel.”

De Zeeuw zette eind 1959 zijn eerste schreden in het onherbergzame Irian Jaya, de voormalig Nederlands Nieuw-Guinea. De drie jaar die hij als ontwikkelingswerker in the bush doorbracht met zijn vrouw Lies staan op zijn netvlies gebrand. Het was de tijd dat het immense gebied – twaalf maal zo groot als Nederland – zich politiek gezien op een breukvlak bevond. Uiteindelijk stond Nederland Irian Jaya met tegenzin af aan de VN en ging het gebied in Indonesische handen over.

Cultuurtechnicus De Zeeuw was toen hij destijds “de wereld uitging” onder andere betrokken bij een bosbouwpo in de binnenlanden van Vogelkop (Kebar). “Er is niet een volk dat zo duurzaam met zijn gebied omgaat als de papoea’s.” Dit natuurlijke evenwicht werd gaandeweg verstoord door veelal buitenlandse bedrijven die het in navolging van Nederland als wingewest beschouwden.

De oorspronkelijke bewoners van Irian Jaya werden steeds meer onder de voet gelopen. Hun totale aantal beloopt vandaag de dag zo’n een miljoen en door de hoge kindersterfte en grootschalige transmigraties uit andere delen van de archipel zijn zij een minderheid geworden. De Papoea’s dreigen door deze ontwikkelingen hun culturele identiteit te verliezen.

Twee jaar geleden maakte De Zeeuw hernieuwd kennis met het eiland waarna hij besloot tot oprichting van de S.D.S.I. De politiek neutrale stichting is onder andere voornemens om na 35 jaar het (her)bebossingspo, dat nooit goed van de grond is gekomen, nieuw leven in te blazen. Voor de realisatie van dergelijke poen zoekt de S.D.S.I. samenwerking met andere (ontwikkelings)organisaties als het W.W.F. of Novib.

“De stichting heeft een scharnierfunctie; poen initieren en financiering vinden”, legt De Zeeuw uit. “Daarbij is het belangrijk dat de poen vanuit de bevolking zelf worden aangedragen.” Een voorbeeld van deze werkwijze is het jongenstehuis Nefolus in Sorong; een po dat wordt getrokken door gestudeerde Irianezen. Het complex biedt plaats aan 28 Papoea-jongens die daar onder andere leren zelf een bedrijf op te zetten en de mogelijkheid krijgen zich te scholen, zonder hun eigen identiteit te verliezen. De inkomsten moeten komen uit de opbrengsten van kleinvee, fruit en het maken van bakstenen van de gravel uit de eigen heuvels. Over drie jaar moet de kostschool zelf-voorzienend zijn.

Om een duurzame samenleving te krijgen zijn goede gezondheidszorg, huisvesting, onderwijs, economische structuur en infrastructuur onontbeerlijk. Met name dat laatste laat nog veel te wensen over. “Het wegwerk in Irian Jaya is essentieel; er moeten nog duizenden kilometers weg worden aangelegd.” Nederlandse wegenbouwers zouden op deze toekomst ke anticiperen, meent De Zeeuw. Hij wijst in dit verband op het belang van de komst van een Technische school, met een afdeling weg- en waterbouw. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de stichting voor fondsenwerving en sponsoring een beroep doet op de bouwsector; 1600 aannemers en andere bedrijven in de gww-sector worden binnenkort schriftelijk benaderd voor een financiele bijdrage.

Zijn ervaringen uit de tijd dat hij als poontwikkelaar de kost verdiende komen De Zeeuw bij zijn S.D.S.I.-inspanningen overigens goed van pas. “Als ik een ding geleerd heb is het wel om zaken geintegreerd aan te pakken; elke discipline moet de ruimte krijgen; er moet goed op elkaar worden ingespeeld, zeker bij grootschalige poen.”

De S.D.S.I. hecht veel belang aan een goede basis, want “processen die op gang zijn gebracht zijn niet meer te stoppen”. De Zeeuw wijst op de vele nadelige gevolgen van het mijnbouwpo Freeport. Daarom wordt samenwerking gezocht met universiteiten waaronder die van Utrecht en Nijmegen. Beide instellingen verrichten momenteel een studie naar de effectiviteit van ontwikkelingsgelden in Irian Jaya.

Hoeveel tijd De Zeeuw (“ik ben een van huis uit geboren idealist”) aan de S.D.S.I. besteedt, houdt hij niet bij. “Te veel” is het spontane antwoord van iemand die het nuttige met het aangename verenigt.

Hij is niet de enige die de aandacht op de Papoea’s vestigt. Momenteel besteedt het R’damse Museum voor Volkenkunde in de tentoonstelling ‘Papoea’s in Nederland’ aandacht aan de duizend papoea’s in ons land. Daarnaast komen de papoea’s op 26 april in the picture in de Figi-schouwburg te Zeist; op die avond wordt de film ‘The spirits have gone’ van Wiek Lenssen getoond, over het gevecht van de papoea tegen de vernietiging van zijn cultuur. Maar ook de papoea’s in Irian Jaya wisten met een gijzelingsactie (“een noodkreet”) internationaal de ogen op zich gevestigd te krijgen. Het geeft aan hoe erg ze zich in het nauw gedreven voelen.

Nadere informatie is te verkrijgen bij de Stichting Duurzame Samenleving Irian Jaya, Boswijklaan 7, 3941 Doorn. Tel: 0343-514413.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels