nieuws

Auteurswet niet eenduidig over rechten en plichten voor ontwerper en opdrachtgever Van wie is deze zuil?

bouwbreed Premium

In Veenendaal bouwt een Veenendaalse architect een kantoor dat verdacht veel lijkt op wat eerder in Utrecht door een lokale architect is neergezet. De Utrechtse opdrachtgever is in alle staten van verontwaardiging over dit “jatwerk”. Maar met welk recht is hij boos – is het zijn werk of dat van de architect? En mag een andere architect geen gebruik maken van goede ideeen die langs de openbare weg te vinden zijn? De auteurswet regelt veel, maar over lang niet alles bestaat eenduidige rechtspraak. Tijd voor een overzicht van alle rechten en plichten.

Het zijn goede tijden voor advocaten gespecialiseerd in auteursrecht. Steeds vaker worden zaken aanhangig gemaakt. Tussen architecten onderling waar het vermeend plagiaat betreft en tussen architecten en opdrachtgevers waar het verminking van hun werk betreft.

Een actueel voorbeeld van plagiaat is de zaak van het Veenendaalse architectenbureau Van den Dikkenberg en Bons, dat ervan wordt beticht het ontwerp voor een kantoorvilla te hebben gepikt van hun Utrechtse collega Jaco de Visser. De Visser is bedroefd maar onderneemt geen juridische stappen, want het lijkt hem moeilijk zijn gelijk te krijgen via de rechter. Zijn opdrachtgever, het Utrechts makelaarskantoor De Boorder, wil wel actie en verkondigde ronduit “ziek” dat hun po gewoon is “gejat”. Dat gaf de Veenendalers overigens ruimte om tot de tegenaanval over te gaan: die klaagden De Boorder aan wegens smaad.

Ook van verminking is er een recent voorbeeld. Nog geen drie maanden geleden gaf de rechtbank in Maastricht architect Snelder een beetje gelijk en ongelijk in een zaak die hij tegen een vroegere opdrachtgever had aangespannen: diens rigoureuze verbouwing van Snelders werk, in samenwerking met een andere architect, mocht doorgaan voorzover de functionaliteit dat vereiste, maar moest op een aantal niet-functionele onderdelen (zoals de kleurstelling van het oude gebouw) worden teruggedraaid.

Hoeveel is auteursrecht waard als beelden van alle denkbare architectuur steeds sneller de wereld rondgaan en algemeen goed worden? En wat voor bescherming biedt de wet tegen verminking van iemands werk in een steeds dynamischer economie, waarbij gebouwen een steeds korter leven is beschoren? Gezien dit tijdsgewricht is het geen wonder dat steeds vaker de vraag aan de orde is waar de grenzen van het auteursrecht liggen.

Originaliteit vereist

Architectuur valt, als kunst, onder de Auteurswet. Onderdelen van gebouwen zouden, als technische producten, onder het octrooirecht ke vallen. En voor de volledigheid: voor alles wat groeit en bloeit is er het plant- en kwekersrecht.

De Auteurswet geeft aan de maker van “een werk van letterkunde, wetenschap of kunst” het auteursrecht. Dat is het recht om wat hij gemaakt heeft te exploiteren (openbaarmaken, verveelvoudigen) op de wijze die hem goeddunkt. Het auteursrecht stelt dus iemand in staat geld te verdienen met wat hij gemaakt heeft – anderen mogen daar niet mee aan de haal gaan. Wie met veel moeite een bijzondere villa heeft ontworpen, heeft er recht op dat hij betaald krijgt voor zijn moeite als anderen die villa willen nabouwen; en hij kan nabouwen ook verbieden.

Voorwaarde is dat dat maaksel enige persoonlijke originaliteit moet hebben. Wie nu een klassieke zuil tekent of een standaard rijtjeshuis kan daar zeker geen rechten op claimen. Tweede voorwaarde is dat het maaksel zintuiglijk waarneembaar moet zijn. Louter ideeen – “laten we rijkswegen met bebouwing overkappen” – genieten geen bescherming. Er moet op zijn minst een tekening, kladje, maquette of nauwkeurige beschrijving van zijn.

Het auteursrecht is een zakelijk recht dat men kan verkopen of overdragen. En na de dood van de maker ke erfgenamen er nog zeventig jaar van profiteren.

Plagiaat

Niet alles van architectuur is automatisch beschermd tegen ongewenste “verveelvoudiging” oftewel plagiaat. Op een stijl of methode mag door eenieder worden voortgeborduurd, ook mag men zich vrijelijk laten inspireren door werk van anderen. Bij architectuur speelt dit “publieke domein” een veel grotere rol dan in enige andere kunst. Van vrijwel alle bouwkunst zijn voorbeelden in de traditie te traceren; ook programmatische en constructieve oplossingen kennen vrijwel altijd hun verwanten. Dat maakt plagiaat veelal tot een loos begrip.

Precies om die reden is architectuur pas heel laat (1912) onder de Auteurswet geschaard. Begin deze eeuw nog kon de burgemeester van Woerden straffeloos het gemeentehuis van Noordwijk kopieren. Want wat was er mis aan om werkelijk fraaie gebouwen na te volgen? De wet zou alleen maar leiden tot een nodeloze “jacht naar verscheidenheid”, vreesde ook de Tweede Kamer, die “alledaagse bouwerij” in ieder geval uitgezonderd wilde zien van auteursrechtelijke bescherming. Voorzover ik kan nagaan, zijn nooit rechtszaken over plagiaat gevoerd.

Is er sprake van plagiaat in de controverse Veenendaal-Utrecht? Voor een oordeel zou men de plannen nauwkeurig moeten vergelijken, en dat valt buiten het bestek van dit artikel. Zo op het oog zijn er verdacht veel punten van overeenkomst, maar als de van plagiaat beschuldigde partij handig is, halen ze de hele architectuurbibliotheek overhoop om zo mogelijk aan te tonen dat er in de geschiedenis en elders nog veel meer van dergelijke poen zijn te vinden. Waar originaliteit niet bestaat, kan ook geen sprake zijn van plagiaat.

Zelf herhalen mag

Over “verveelvoudiging” hebben opdrachtgevers weinig te zeggen. Het “verveelvoudigen” is een recht dat alleen de architect bezit. Dat betekent dat hij zich kan verzetten tegen ongewenste verveelvoudiging maar ook dat hij vrij is een geslaagd ontwerp vele malen te herhalen, hoe sneu dat voor de opdrachtgever ook is. (Dacht die furore te maken met een flitsende nieuwe luifel aan zijn winkel, staat er ineens de hele straat mee vol.) Een opdrachtgever kan dit recht van de architect wel afkopen; hij kan bij contract laten vastleggen dat die zijn ontwerp niet zal herhalen. De BNA gaat daar in haar standaard voorwaarden (SR) sowieso vanuit: herhaling mag alleen als het niet in strijd is met het belang van de opdrachtgever en dan nog alleen maar na verkregen toestemming.

In de zaak Veenendaal-Utrecht betekent dat, dat de originele Utrechtse opdrachtgever wel boos mag zijn op de plagierende partij, maar geen rechten kan claimen. Tenzij, allicht, hij bij contract de rechten van zijn architect heeft overgenomen.

Beeldrecht

Bouwen is een vorm van “openbaar maken” van een ontwerp. Dat een architect het voor het zeggen heeft bij “openbaarmaking” houdt in dat een opdrachtgever een plan niet mag doorgeven of doorverkopen als hij zelf niet aan bouwen toekomt. Het houdt ook in dat een ontwerp (zowel de ontwerptekeningen als het gebouwde resultaat) niet zomaar mag worden afgebeeld. Daar is toestemming van de ontwerper voor nodig, die, als hij wil, een vergoeding kan vragen.

Er is een aparte stichting in het leven geroepen die net als de Buma/Stemra in de muziekwereld de rechten van aangesloten beeldende kunstenaars (ook architecten) bewaakt. Wie denkt een lekker handeltje te beginnen in draagtassen met een plaatje van het Rietveld-Schroderhuis erop, krijgt via de stichting Beeldrecht een claim van de erven Rietveld. Ook op foto’s van zijn werk in tijdschriften en boeken kan een architect zijn rechten laten gelden.

Op deze rechten geldt een uitzondering: de publicerende partij kan zich beroepen op het citaatrecht. Dus wie schrijft over Rietveld mag ongevraagd, ter adstructie, een plaatje van het Rietveld-Schroderhuis tonen, mits dat plaatje niet de hoofdzaak van het artikel uitmaakt.

Wie is de “maker”

Is het veelal moeilijk de originaliteit van een maaksel vast te stellen, wie de maker is kan ook een probleem zijn. Is er in teamverband gewerkt, en is ieders aandeel niet meer te onderscheiden, dan heeft men gezamenlijk recht op het geheel. Echter, werkt men in dienstverband, dan berusten de rechten bij de werkgever – tenzij anders afgesproken in cao of arbeidscontract. Dat geldt weer niet voor stagiaires en freelancers: die behouden hun rechten.

Na de dood van de “maker” blijven de rechten nog zeventig jaar geldig voor de erfgenamen. Is er geen persoonlijk maker, maar berusten de rechten bij een rechtspersoon zoals een bv, dan vervallen de rechten vijftig jaar na het ontstaan van het werk waarop ze betrekking hebben.

Wijziging en verminking

De Auteurswet geeft nog een ander recht dan het auteursrecht, namelijk het persoonlijkheidsrecht. Dat recht beschermt de “maker” tegen verminking van zijn werk. Ook ongewenste wijzigingen zijn taboe, tenzij deze redelijkerwijs nodig zijn. Beschermt het auteursrecht zakelijke belangen, het persoonlijkheidsrecht beschermt de goede naam en faam van de maker, de kwaliteit van zijn werk.

Auteursrechten zijn te kopen en te erven, het persoonlijkheidsrecht is persoonsgebonden en blijft bij de maker. Hij kan het laten afkopen door zijn opdrachtgever, als die bij wijzigingen geen gezeur wil. Maar zelfs dan behoudt hij het recht zich te verzetten tegen verminking. Gezien de wisselende jurisprudentie is echter ongewis wat zijn kansen bij verzet zijn bij de rechter.

Tom Maas

Schandalen

Het persoonlijkheidsrecht, waarmee de Auteurswet de reputatie van de maker beschermt, heeft een serie geruchtmakende zaken opgeleverd. En bij de huidige snelle recycling van de gebouwde omgeving is het eind daarvan nog niet in zicht. De rechtspraak heeft ook bij lange na nog niet duidelijk gemaakt waar de grenzen van wijziging, laat staan verminking, liggen.

Zo is het nog afwachten wat de rechter vindt van architect Bonnema’s verzet tegen sloop van ‘zijn’ verzorgingshuis De Golfslag in Emmeloord. Bonnema verzet zich tegen deze, in zijn ogen, ultieme vorm van verminking. Zal de rechter sloop inderdaad bestempelen als verminking?

Bonnema won in 1988 wel in Tietjerkstradeel. De gemeente wilde zonwering aanbrengen aan het door hem ontworpen gemeentehuis. De architect verzette zich tegen deze aantasting en kreeg gelijk. Wat daarbij meewoog was dat de gemeente bij de bouw, tegen Bonnema’s waarschuwingen in, bezuinigd had op de klimaatinstallatie.

In datzelfde jaar verloor architect Van Klingeren het kort geding tegen de rigoureuze verbouwing van De Meerpaal in Dronten. De rechter vond de verbouwing redelijkerwijze nodig en vond ook dat het gebouw er niet onherkenbaar door werd veranderd. In de bodemprocedure bleken, na raadpleging van deskundigen, de kaarten anders te liggen. Voordat Van Klingeren echter gelijk kon krijgen werd hij ernstig ziek en nam genoegen met een schadevergoeding van rond de ton.

Architect Abma kreeg van de rechter gelijk bij zijn verzet tegen de verbouwing van het gemeentehuis van Ruinen. Terugbrengen in de oude staat, zoals geeist, vond de rechter echter te ver gaan. In plaats daarvan kwam een schadevergoeding van f. 70.000.

Architect Van Mourik was er in 1994 wel op tijd bij toen een projectontwikkelaar een bankgebouw van hem in Tilburg onder handen wilde nemen. De rechter verbood de renovatie, op straffe van een dwangsom van een half miljoen. Toen vroeg de ontwikkelaar maar aan Van Mourik zelf om een nieuw renovatieplan.

Al was in datzelfde jaar de verbouwing van de Friesland Bank in Leeuwarden nog niet begonnen, architect Vegter kon de uitvoering van het plan niet meer tegen houden. Wel kreeg hij gelijk van de rechter dat de verbouwing zijn reputatie en goede naam zou schaden. De rechter achtte die schade ook in geld uit te drukken: Vegter kon f. 150.000 incasseren.

In de meest recente uitspraak tot nu toe, over de uitbreiding van Snelders politiebureau in Maastricht, is een mix van verschillende overwegingen terug te vinden. De uitbreiding was functioneel gezien nodig en dus niet onredelijk; de vorm waarin niet storend; de bouw was trouwens zover dat wijziging onevenredig duur zou worden en niet opwoog tegen Snelders belang; wel moest de schilder terugkomen om de kleurstelling van de oudbouw terug te brengen in oorspronkelijke staat, want die verandering was weinig functioneel geweest en deed afbreuk aan de verschijning van het gebouw en herstel daarvan zou ook niet teveel hoeven kosten.

Al deze uitspraken houden niet in dat men alleen mag verbouwen met de oorspronkelijke architect. Duidelijk is wel dat op tijd overleg van groot belang is (zoals de Gedragsregels van de BNA van collega’s onderling ook vereist). Daarbij kan de oorspronkelijke architect niet elke wijziging tegenhouden. Schimmig is echter waar de grenzen liggen van wat een rechter nog functioneel noodzakelijk zal vinden en wat als “verminking” moet worden betiteld.

Al weer wat langer geleden verloor architect Staal in eerste instantie; in hoger beroep vond het Gerechtshof de omstreden sloop en nieuwbouw toch een verminking, al moesten enkele ‘redelijke’ wijzigingen worden geduld. Om uit deze knoop te komen troffen de partijen uiteindelijke een schikking – Staal kreeg een schadevergoeding, de bouwer kon verdergaan met sloop en nieuwbouw.

Reageer op dit artikel