nieuws

Stadsverwarming voordeligste optie voor Leidsche Rijn

bouwbreed Premium

De Utrechtse energiemaatschappij Remu en de gemeente Utrecht hebben gisteren een intentie-overeenkomst gesloten om in het Utrechtse deel van Leidsche Rijn stadsverwarming aan te leggen. Berekeningen wijzen uit dat met stadsverwarming op deze locatie de grootste besparing op primaire energie is te realiseren. Leidsche Rijn is daarmee de eerste Vinex-locatie waar deze vorm van energievoorziening wordt toegepast.

Bert Bosker

De stadsverwarming vergt een aanvangsinvestering van f. 200 miljoen voor het buizensysteem dat moet worden aangelegd naar en in het gebied dat 20.000 woningen en bedrijven gaat tellen. Vergeleken met individuele verwarming met HR-ketels betekent de toepassing van stadsverwarming een energiebesparing van minimaal 35 procent. Het systeem gaat de restwarmte gebruiken van de nabijgelegen warmtekrachtcentrale Lageweide. Deze warmte wordt nu nog in het Amsterdam-Rijnkanaal geloosd.

Behalve milieu-overwegingen hebben ook de positieve gevolgen voor de bewoners tot de beslissing geleid. Remu garandeert dat de bouw- en energiekosten voor de consument niet hoger zijn dan bij verwarming door HR-ketels. Bovendien is de stadsverwarmingsapparatuur in de woning onderhoudsvrij en veel kleiner dan een cv-ketel. Er kan worden volstaan met een kastje in de meterkast ter grootte van een gasmeter. De bewoners ke zelf het energieverbruik in hun huis regelen en krijgen de beschikking over een warmtemeter.

Remu en de gemeente hebben ook afgesproken de mogelijkheid te zullen onderzoeken van ‘hotfill’ in combinatie met stadsverwarming. Daarbij worden was- en afwasmachines direct met warm water gevuld in plaats van met koud water dat nog met elektriciteit moet worden opgewarmd.

De Utrechtse beslissing lijkt lijnrecht te staan tegenover de visie die het Gasbedrijf Gelders Rivierengebied (GGR) samen met de Gasunie en het Energieonderzoek Centrum Nederland ontwikkelt is in verband met de grootschalige woningbouw in het KAN-gebied. Volgens GGR-directeur E. de Nie moet het binnen tien jaar mogelijk zijn om de warmte en elektriciteit die gezinnen nodig hebben, volledig binnen de woning op te wekken met behulp van micro-warmtekrachtcentrales. De keuze voor stadsverwarming blokkeert volgens hem deze optie, omdat de wijken dan niet beschikken over een gasnet dat nodig is om de energie op te slaan.

Ir. M.A.M.M. van der Meijden, hoofd Energie van Remu, kan zich inderdaad omstandigheden en locaties indenken waarbij deze visie juist is. Maar zeker niet op korte termijn en ook niet in het geval van Leidsche Rijn met zijn compacte bebouwing en de beschikbaarheid van restwarmte in de onmiddellijke nabijheid. “Met een micro-warmtekrachtcentrale is nooit tegen dezelfde kosten de energiebesparing te halen die wij nu moet stadsverwarming bereiken”, zegt Van der Meijden. “Behalve in de micro-wkk-installatie zal op zijn minst moeten worden geinvesteerd in een zonneboiler, zonnepanelen, een warmte-terugwininstallatie en extra isolatie. De micro-wkk op zich bespaart namelijk slechts zeven tot tien procent.”

Maximaal effect

Dat wil volgens Van der Meijden niet zeggen dat de visie van De Nie nergens op slaat is, maar “elke locatie heeft zijn eigen oplossing en voor Leidsche Rijn is dat stadsverwarming.” In zijn verzorgingsgebied kiest Remu voor plaatsen waar geen restwarmte beschikbaar is dan ook voor andere opties, zoals warmtepompen in Houten en een combinatie van zonne-energie en HR-ketels in de Amersfoortse wijk Nieuwland. “Met zo’n mix bereik je met het minimale aantal guldens het maximale effect”, aldus Van der Meijden.

In de intentie-overeenkomst is overigens nadrukkelijk opgenomen dat individuele bewoners de mogelijkheid blijven houden om bijvoorbeeld zonneboilers of zonnepanelen te installeren. Maar het is de vraag of dat veel zin heeft in combinatie met de stadsverwarming.

Reageer op dit artikel