nieuws

Bestaand gebied vergt duurzame visie

bouwbreed Premium

“Duurzaam bouwen vergt een omslag in het denken en dat vergt tijd. Tussen het voornemen om zaken anders aan te pakken en het eerste praktische resultaat zal mogelijk een jaar of vijf liggen. Is die basis eenmaal gelegd dan zal het bijvoorbeeld niet meer vanzelfsprekend zijn om nieuwbouw buiten de stad te concentreren maar eerst eens te bezien of het bestaande gebied geen betere mogelijkheden biedt”, menen directeur ir. H. Bok van het bureau DuBouw uit Zutphen en portefeuillehouder volkshuisvesting mevr. C. Basten van het Stedelijk Knooppunt Arnhem-Nijmegen (KAN).

“Dat vergt regionale afspraken die verder gaan dan de techniek maar ook ingaan op het hele proces”, zegt H. Bok. “Partijen als het bouwbedrijf juichen dat toe want op die manier ontstaat er een grotere eenheid in het beleid van de betrokken gemeenten. Het plaatselijke bestuur maakt evenwel zelf de plannen. In het verlengde daarvan moet de lokale overheid alle medewerkenden zoals de stedenbouwkundige de juiste weg inslaat. Het bestuur van het KAN boekte daarmee tot op heden goede resultaten. Een werkgroep zette daarvoor de inhoud van de VNG-publicatie over duurzame stedenbouw om in een praktische handleiding. Die grote belangstelling voor het duurzame bouwen is historisch bepaald. Aanvankelijk ging het om de aparte regio’s Arnhem en Nijmegen. Vooral in de laatste kwamen veel milieu-activiteiten tot stand.”

“Op KAN-niveau leverde dat alles een plan van aanpak op dat onder meer de gang van zaken in de duurzame bouw regelt. Te denken valt aan de instructie van de betrokken gemeentelijke ambtenaren. En mede daardoor neemt de plaatselijke overheid het voorbeeld van het KAN-bestuur over. Dat lukt temeer omdat de regio een duidelijke status kreeg en dus met zachte dwang bepaalde maatregelen kan opleggen. Samenwerkingsverbanden die dat officiele gedelegeerde niet hebben moeten door middel van overtuiging hetzelfde resultaat zien te bereiken. En dat verloopt doorgaans minder moeilijk dan op het eerste gezicht lijkt.”

Juridisch

“Gemeenten die eigen grond voor bebouwing vrijgeven ke bijvoorbeeld projectontwikkelaars ertoe verplichten een bouw duurzaam uit te voeren”, legt Bok uit. “Juridisch gezien blijven daar nog wat vragen open. Er bestaat wel enige jurisprudentie over maar ik denk niet dat die een doorslaggevende rol zal spelen wanneer partijen een goede verstandhouding wensen. Zet een projectontwikkelaar zich tegen de opgelegde verplichtingen af dan zal bij de rechter naar alle waarschijnlijkheid blijken dat een gemeente maatregelen niet kan afdwingen.

Het is juridisch wel juist dat een gemeente grond verkoopt en de projectontwikkelaar vervolgens voorstelt duurzaam te bouwen en in ruil daarvoor subsidie aanbiedt. Sommige gemeenten bieden die optie inmiddels al aan. Welbeschouwd loopt het duurzame bouwen vertraging op omdat het dan geen deel uitmaakt van de dagelijkse praktijk.”

“Dat laatste lukt alleen wanneer het Bouwbesluit daarover een uitspraak doet”, stelt Bok. “In dat geval zijn maatregelen op woningniveau veel gemakkelijker te treffen. Het grotere verband blijft dan echter buiten beschouwing. Denk bijvoorbeeld aan een zongerichte verkaveling. Blijkt dat niet te ke dan kun je in overleg tot een wijziging van het ontwerp besluiten zodat de woning toch voldoende zonlicht ontvangt. Ontbreekt die samenspraak dan kan men besluiten om ook van andere milieumaatregelen af te zien. En daar zijn geen juridische stappen tegen te ondernemen. Over het geheel genomen maakt ‘de bouw’ weinig bezwaar tegen de duurzame aanpak. Zij het met dien verstande dat sommigen zich wel wat gedachten maken over hun concurrentiepositie.

Maar ook dat, zo blijkt in de praktijk, valt erg mee. Want het maakt weinig uit of een twee-onder-een-kap volgens de vrije sector door de milieumaatregelen f. 295.000 inplaats van f. 292.000 kost.”

Wettelijk

“In november vorig jaar maakten we in samenwerking met partijen als de provincie en de nutsbedrijven een begin met de regeling van de duurzame bouw”, gaat Basten verder. “Het plan van aanpak dat daaruit volgde schrijft voor dat KAN de marktpartijen en de bestuurders benadert. De milieuregio Nijmegen verzorgt de communicatie en de scholing terwijl de milieuregio Arnhem de benodigde instrumenten ontwikkelt. Gedrieen hebben we afgesproken dat in het KAN-gebied duurzaam wordt gebouwd. Alleen degenen die het ‘pakket van Tommel’ aanhouden maken aanspraak op subsidies voor de sociale woningbouw. Inmiddels ligt het concept gereed voor de duurzame ontwikkeling van terreinen die na bestuurlijk akkoord als brochure verschijnt. Die geeft aan hoe je met gebouwen moet omgaan, met het energieverbruik en met het water. Het regionale structuurplan wordt de wettelijke basis die alle betrokken gemeenten en partijen verplicht voorrang te geven aan duurzaamheid.”

“Met de marktpartijen willen we een convenant afsluiten over duurzaam bouwen en renoveren in het KAN-gebied”, zegt Basten. “Naar verwacht zal de ondertekening in februari volgend jaar moeten gebeuren. In alle bescheidenheid mogen we dus van een vlot resultaat spreken. Wellicht dat Tommel het KAN-gebied als voorbeeld stelde voor de BON-gebieden. In Nijmegen en zeker in Arnhem komen nogal wat duurzame woning- en ook kantoorpoen van de grond. Ook in andere gemeenten vind je voorbeeldpoen van bijvoorbeeld corporaties. Nu gaat het erom die aspecten algemeen in te voeren. Daarvoor bestaat alle gelegenheid. In het KAN-gebied komen er in volgende jaren ruim 60.000 woningen bij en worden nog duizenden hectare kantoren- en bedrijventerrein ingericht. Niet zonder reden geldt het KAN-gebied als de Randstad van het oosten.”

Bedrijven

“Duurzaamheid en bedrijvigheid staan niet per definitie haaks op elkaar”, vindt Basten. Gebouwen en terreinen kun je duurzaam inrichten en bebouwen. Daarmee ke ook de kosten van dergelijke werken verminderen. Je benut de ruimte efficienter, gaat zuiniger met energie om en kunt besluiten of je bepaalde voorzieningen niet beter kunt delen met andere bedrijven.

Zo kan het ene bedrijf bijvoorbeeld de restwarmte van het andere overnemen. En waarom zou elke onderneming er een eigen kantine op na moeten houden. Wanneer je voor een centrale kantine kiest kom je ook tot een heel andere inrichting van een bedrijventerrein.

In het verlengde daarvan kun je er ook voor kiezen bedrijvengrond niet meer per kavel uit te geven maar al naar gelang de behoefte van een onderneming verhuurt zodat een bedrijf bijvoorbeeld ’s winters meer grond in beheer heeft dan ’s zomers. Het bijbehorende beleid moet evenwel nader vorm krijgen. Ook landelijk is daarvoor nog weinig geregeld.”

“Het concept voorziet verder in een duurzame herontwikkeling van bestaande terreinen”, legt Basten uit. “Daarmee voorkom je dat je nieuw terrein aanlegt op het moment dat oude in de versukkeling raken. Met dat in gedachten wordt ook het streven naar een grotere integratie van wonen en werken meer reeel.

In binnensteden en rond knooppunten van (openbaar) vervoer kun je dan mogelijkheden scheppen voor bebouwing die op de begane grond plaats aan winkels biedt met daarboven kantoren en weer hoger aan woningen.

Deze combinatie van functies maakt de uitvoering ook beter betaalbaar. Mede daardoor ontstaat er ook een grotere diversiteit zodat en een grotere sociale samenhang groeit. Op die manier kun je ook wijken die als minder goed te boek staan een betere roep geven. Ook dat is niet iets wat van de ene op de andere dag zijn beslag krijgt. Onder meer de verkoop van huurwoningen aan de zittende bewoners, de grotere zorg voor de woning en de omgeving die daarna volgt en het uiteindelijke wegslijten van de slechte naam vergt toch al snel vijf tot tien jaar.”

Reageer op dit artikel