nieuws

Werken over de grens vergt kennis van wet en regel

bouwbreed Premium

Zodra een bedrijf over de grens gaat werken hoort de leiding te weten aan welke juridische voorwaarden de activiteiten moeten voldoen. Het blijkt echter dat velen zich nauwelijks voorbereiden, hoewel wet en regel een nogal complexe materie vormen. Een groot aantal ondernemers vraagt vooraf geen juridisch advies en begint in goed vertrouwen aan een project dat later niet zelden de vergelijking met Waterloo glansrijk doorstaat. Aldus de strekking van het gesprek dat jurist U. Croonenbrock van het advocatenbureau Strick en Partner uit het Duitse Kleef met deze krant voerde.

“Het zijn niet alleen de kleinere bedrijven die in Duitsland juridische averij oplopen”, legt Croonenbrock uit. “Het gaat hierbij niet om uitzonderingen maar om een vrijwel dagelijkse praktijk. Te denken valt aan het geval van een aannemer die in de regio Keulen een po van om en nabij f. 1 miljoen verwierf. De bepalingen in het contract bleven grotendeels ongelezen. Het werk kwam tot uitvoering nabij de Rijn. Tijdens de realisatie deed zich een dermate grote wateroverlast voor dat het po kwam stil te liggen. Met de ondertekening van de overeenkomst verplichtte de aannemer zich echter het werk op de vastgestelde termijn op te leveren. Zou dat niet gebeuren dan konden de kopers geen gebruik meer maken van gunstige fiscale regelingen. Uiteindelijk kwam de bouwer voor een schadebedrag van ruim f. 2,5 miljoen te staan.”

Contract

“Duitse opdrachtgevers bieden bij het contract doorgaans zo’n dik pakket bijbehorende bescheiden aan dat de bouwer niet meer leest dan de waarde van het opdrachtvolume”, weet Croonenbrock. “Daar boven staat evenwel een omschrijving van de normen, de wijze van uitvoering en al dat andere dat in Nederlandse overeenkomsten niet aan de orde komt. Waar in Nederland de aannemer alles zelf regelt sluit de Duitse Generalunternehmer aparte contracten met onderaannemers. Elk van die bedrijven voert slechts een klein deel van het po uit. Daarbij is een Nederlandse aannemer niet altijd op de hoogte van de Duitse normering en loopt daarmee niet onaanzienlijke risico’s. Loopt het scheef dan kan een advocaat in het gunstigste geval tot een schikking komen. Veelal ontbreken de gegevens om een procedure te beginnen. En dat is ook een verschil tussen het Nederlandse en het Duitse rechtsstelsel.”

“In Duitsland moet elk relevant gegeven deel uitmaken van de dagvaarding zodat voldoende bewijslast ontstaat”, zegt Croonenbrock. “Anders dan in Nederland kun je niet tijdens de hoorzitting met aanvullende bewijzen komen. Zo is het ook niet gebruikelijk dat een Duitse advocaat tijdens een civielrechtelijke zitting een pleidooi houdt. Feiten die men behoort te weten zodat men overeenkomstig kan handelen. Over het geheel genomen staat ‘papier’ echter ver van de aannemer. Ook het inwinnen van juridisch advies behoort niet altijd tot de dagelijkse praktijk. Daaraan een paar honderd gulden spenderen voorkomt evenwel dat een bedrijf in grote problemen raakt. Natuurlijk weet een advocaat niet alles maar hij kan wel beoordelen of het voorgelegde contract wel of niet kan worden ondertekend. Niet in de laatste plaats kan de bouwer of leverancier zelf kennis nemen van de Duitse wet en regel voor een beter overleg met een jurist.”

VOB

“Te denken valt dan aan het lezen van een populaire toelichting op de Verdingungsordnung fur Bauleistungen oftewel de VOB-B die aangeeft wat tijdens een werk van belang is”, stelt Croonenbrock. “Voor een goed begrip moet ook de VOB erop worden nageslagen. Dat is geen wettelijke regeling maar een stelsel van algemene voorwaarden. De opdrachtnemer moet deze 18 artikelen samen met de offerte aan de opdrachtgever overhandigen zolang deze niet beroepsmatig werk aanbesteedt. De laatste moet ook weten wie de verantwoording op de bouwplaats draagt en in het verlengde daarvan rechtsgeldige afspraken kan maken. Wil het geval dat de aannemer meerwerk moet verrichten dan kan hij dat alleen uitvoeren wanneer de opdrachtgever daarmee instemt. Komt het tot een meningsverschil dan kan de opdrachtnemer niet zomaar het werk staken omdat hij onder de uitvoeringsplicht valt. Of de bouwer zet het po tijdens de onderhandelingen gewoon voort of legt het aan de hand van de daarvoor geldende regels stil.”

“Normaal gesproken kan de aannemer pas bij oplevering zijn vordering opeisen”, zegt Croonenbrock. “Niet iedereen blijkt met die regel op de hoogte en dat leidt vaak tot fouten. Niet zelden hanteren Nederlandse bouwers de Nederlandse betalingsvoorwaarden. Spreekt het contract van eenheidsprijzen dan moet de aannemer de tussentijds verstuurde facturen op een controleerbare wijze opstellen. Bij deze afrekening hoort dan een bon voor het geleverde materiaal plus een ontvangstbevestiging van de verantwoordelijke uitvoerder. Velen maken met die tussentijdse facturen al fouten. Temeer omdat bij het opstellen ervan de volgorde van het bestek moet worden aangehouden. Wellicht is dat een sprekend voorbeeld van bureaucratie maar het is de enige manier waarmee een Nederlandse aannemer in Duitsland succes boekt. De kans daarop neemt toe wanneer de bouwer een Duitse architect als bouwplaatsleider aanstelt en in die functie nadere adviezen geeft.”

Oplevering

“De eerder genoemde oplevering is ook aan regels gebonden”, licht Croonenbrock toe. “De aannemer dient de opdrachtgever schriftelijk op de hoogte te stellen van de preciese datum. Beide partijen of hun vertegenwoordigers voeren ter plaatse een inspectie uit en stellen wanneer dat nodig blijkt een lijst van tekortkomingen op. Onder voorbehoud van verbetering daarvan zal de opdrachtgever doorgaans de oplevering accepteren. Op grond van die ondertekening kan de opdrachtnemer rechtsgeldig facturen versturen. Vindt er geen opleveringsprocedure plaats dan kan de opdrachtnemer normaal gesproken ook geen betalingen opvragen. Blijft de opdrachtgever in deze in gebreke dan kan de aannemer een procedure in werking zetten om toch tot oplevering over te gaan. Een deskundige controleert dan of het werk aan de normen voldoet. Gaat de opdrachtgever in die periode die soms enkele jaren kan duren failliet dan wordt het voor de bouwer uitermate moeilijk betaald te krijgen.”

“In het geval van een faillissement kan het gebeuren dat de curator de schuldeiser een schikking aanbiedt”, vult Croonenbrock aan. “Gaat de te daarmee niet akkoord dan staat de weg naar de rechtbank open. Vaak is het zo dat drie maanden na het begin van een procedure de eerste zitting plaats vindt. De rechter kan bij die gelegenheid nader bewijs verlangen en een onafhankelijke deskundige opdracht geven onderzoek te verrichten wat soms een half jaar kan duren. De kosten van deze activiteiten komen voor rekening van de partij die extra bewijs moet leveren. De rechter verstrekt de opdracht pas dan wanneer die partij een daarvoor vastgesteld voorschot aan de rechtbank heeft overgemaakt. Volgt nadien een uitspraak dan is die bij voorraad uitvoerbaar, ongeacht het feit dat in hoger beroep een heel andere beslissing kan vallen.”

Vordering

“Succes met een procedure is slechts een kant van de zaak; succesvol van een vordering een beduidend andere”, meent Croonenbrock. “Beslag op bijvoorbeeld bankrekeningen levert niet altijd voldoende dekking op. De laatste mogelijkheid betreft het aanvragen van het faillissement, een procedure die wederom tijd vergt en geen zekerheid biedt of het openstaande bedrag daadwerkelijk wordt voldaan. Nederlandse bedrijven die met dergelijke kwesties te maken krijgen stellen dan voor conservatoir derden beslag te leggen, iets wat volgens het Duitse recht niet mogelijk is. Executieve maatregelen hangen in Duitsland altijd samen met een procedure en daarmee zijn altijd kosten gemoeid die de financiele schade van de eiser nog verder vergroten. En daarbij valt niet met zekerheid te zeggen of het bedrijf dat in gebreke blijft in de loop van de procedure niet failliet gaat.”

Reageer op dit artikel