nieuws

Zekerheid bij inschrijving

bouwbreed

Bij het aanbesteden van grotere werken wordt vaak de procedure, die in het Uniform Aanbestedingsreglement (UAR) 1986 wordt aangegeven, gevolgd. Het Rijk is daartoe zelfs verplicht op grond van het Besluit aanbesteding van werken uit 1973. Andere opdrachtgevers hoeven dat niet maar doen dat, op vrijwillige basis, vaak wel.

Dat deed ook een zuiveringsschap voor de bouw van twee werken, die deel uit zouden gaan maken van een nieuwe zuiveringsinstallatie. Op grond van de waarde van die installatie zouden de UAR-EG 1991 van toepassing zijn. Hoewel in het bestek voor de twee onderdelen de nationale UAR 1986 op de aanbesteding van toepassing werd verklaard, moest het zuiveringsschap voor de Raad van Arbitrage erkennen dat de EG-regeling toegepast moest worden en dat een aanbesteding, die in Europees verband moet worden gedaan en die ook in het Publikatieblad van de EU bekend is gemaakt, zijn Europese karakter niet verliest door een mededeling in het bestek.

De Raad van Arbitrage werd namelijk ingeschakeld door een inschrijver op die twee werken toen hij merkte dat niet aan hem maar aan een andere inschrijver het werk gegund zou worden. Die ander was weliswaar als laagste inschrijver uit de bus gekomen, maar zijn concurrent meende dat die niet de economisch voordeligste aanbieding had gedaan. Dat was als gunningscriterium vermeld bij de bekendmaking van de aanbesteding.

Het zuiveringsschap moest dus naast de aangeboden prijzen ook andere elementen betrekken bij zijn beslissing aan welke inschrijver het werk gegund zou worden. Daartoe liet het de twee adviesbureaus, die de directie zouden voeren over de twee werken, onderzoeken welke van de twee inschrijvers installaties had aangeboden die het beste rendement zouden opleveren. De adviezen van beide bureaus wezen in de richting van het bedrijf, dat niet de laagste inschrijvingsprijs had aangeboden, maar wel de meest ervaring had met de betreffende apparatuur.

Het schap vond het verschil tussen de inschrijvingsprijzen echter interessant genoeg om tegen de adviezen in toch het werk aan de laagste inschrijver te gunnen. Het wilde echter van dat bedrijf de zekerheid hebben, dat de apparatuur goed zou functioneren en vroeg daarom aan de laagste inschrijver om de in het bestek gevraagde garanties te verzekeren. Nu is het niet duidelijk wat daarmee precies bedoeld werd want hoe kun je garanties verzekeren?

Onder een garantie moet immers worden verstaan de verklaring, dat de apparatuur goed functioneert en als die dat niet blijkt te doen er een bepaalde voorziening zal worden getroffen, zoals kosteloze reparatie of vervanging van de defecte onderdelen. Het verzekeren van een garantie kan dan hooguit betekenen, dat die garantie-regeling inderdaad van toepassing zal zijn. Maar misschien bedoelde het schap de zekerheidsstelling waar de UAR het over heeft in artikel 26: “een aanbesteder mag uitsluitend van de inschrijver aan wie hij voornemens is het werk op te dragen zekerheidsstelling bedingen”. Zo’n zekerheid kan bestaan uit een bankgarantie, want het artikel bepaalt verder dat het bedrag van de zekerheid een bepaald bedrag niet te boven mag gaan.

De Raad van Arbitrage betrok deze bepaling echter helemaal niet in de beoordeling van de eis van de concurrent, die vond dat hij de voordeligste aanbieding had gedaan. De drie arbiters bogen zich over de vraag of er gezondigd was tegen de bepaling in de UAR-EG (die hetzelfde luidt als in onze eigen UAR), dat een inschrijver zijn aanbieding -na het tijdstip van de aanbesteding- niet kan wijzigen of aanvullen. Dat mag hij echter wel als de aanbesteder, die hem het werk wil gunnen, hem vraagt zijn inschrijving te wijzigen of aan te vullen.

De vraag is nu maar op welke UAR-bepaling het verzoek van de aanbesteder om “de in het bestek gevraagde garanties te verzekeren” betrekking heeft. Was dat nu een vraag om zekerheidsstelling waar artikel 26 UAR het over heeft of een verzoek tot verandering van de inschrijving?

De arbiters van de Raad stellen zich die vraag niet, maar zeggen dat het schap aan de gegadigde, die in aanmerking kwam voor het werk, wijzigingen en aanvullingen op zijn inschrijving mocht vragen. Die had kennelijk, op welke manier dan ook, aan dat verzoek voldaan. Het zuiveringsschap mocht van de Raad van oordeel zijn, dat de werken aan de laagste inschrijver gegund zouden worden, zodat een verbod daartoe moest worden afgewezen.

Nu slaat het artikel in de UAR, dat een verzoek tot aanvulling of wijziging van de inschrijving mogelijk maakt, volgens een veel deskundiger jurist dan ik ben, alleen op situaties, waarin voor de gunning met de laagste inschrijver onderhandeld moest worden omdat de aanbesteder geen voldoende financiele ruimte had. Bij aanvaarding van het laagste aanbod zou hij dan na de gunning pas met de inschrijver ke overleggen over de vraag hoe de aanneemsom in overeenstemming gebracht kon worden met de financiele mogelijkheden van de aanbesteder. Dat was vaak een woningbouwvereniging, die afhankelijk is van een overheidssubsidie.

Om zo’n ongewenste situatie te voorkomen, werd in de UAR bepaald dat voor de gunning aan de laagste inschrijver een verzoek tot wijziging of aanvulling gedaan mocht worden. Die collega-jurist wil daarom die bepaling alleen voor dat doel toegepast zien. De toelichting bij de UAR 1986, die toch al niet uitmunt in zinnige uitleg waarom een artikel zo geredigeerd is en vaak in wat andere woorden herhaalt wat al in het artikel zelf te lezen is, zwijgt over die achtergrond.

Als het de bedoeling van de drie voor deze UAR verantwoordelijke ministers was geweest om zo’n mogelijkheid alleen in de boven aangegeven gevallen te scheppen, zouden zij dat toch wel in het artikel zelf hebben aangegeven. Of zouden er zulke matige wetgevingsjuristen zitten op de drie departementen, die regelmatig als aanbesteder van werken optreden?

(BR 1995 p. 447)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels