nieuws

Matiging van gevolgschade

bouwbreed

Niet alleen de directe schade die het gevolg is van een wanprestatie moet vergoed worden, ook voor de zogenaamde gevolgschade is de wanpresteerder aansprakelijk. Tot die zogenaamde gevolgschaden behoren ook de kosten die gemaakt moeten worden om de uitvoering van het herstel van de schade mogelijk te maken. In de toelichting bij het wetsontwerp over de aannemingsovereenkomst, die in april 1993 werd ingediend, wordt dat vermeld bij het artikel dat de gevallen regelt waarin het werk na de opleveringsgebreken vertoont.

Als dat twee jaar geleden bij de Tweede Kamer ingediende wetsontwerp formeel deel gaat uitmaken van het nieuwe Burgerlijk Wetboek verandert er in feite niets op dit punt. In de rechtspraak wordt die gevolgschade al sinds geruime tijd meeberekend bij het bepalen van de omvang van de schade, die het gevolg is van een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis.

Niet alle kosten die gemaakt moeten worden om de gebreken die het gevolg zijn van zo’n tekortkoming te herstellen hoeven meegenomen te worden bij de berekening van de schadevergoeding, die de ‘wanpresteerder’ moet betalen. Als de omvang van die kosten namelijk niet in een redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van het gebrek kan de rechter (maar ook de arbiter) die vergoedingsplicht matigen. Die bevoegdheid is neergelegd in een artikel van ons nieuwe Burgerlijk Wetboek, dat is opgenomen in dat deel ervan dat de wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding regelt.

Het matigingsrecht kan dus worden toegepast in alle gevallen, waarin een wettelijke schadevergoedingsplicht bestaat. Die plicht heeft de aannemer, die bij het opleveren van het werk niet voldoet aan zijn contractuele verbintenis, ongeacht of dat het gevolg is van een zichtbaar dan wel een verborgen gebrek aan het werk. Dat de gevolgschade dan soms veel groter is dan de directe herstelkosten van het gebrek, bleek bij de bouw van een bedrijfsruimte voor een handelaar in bouwmaterialen.

Omdat de opdrachtgever van die bouw in zijn vestigingen in ons land gebruik maakte van in het oog springende kleuren had hij in het bestek voorgeschreven dat op de constructievloer een gele afwerkvloer zou worden aangebracht. Bij de afwerking van die vloer werd echter vergeten de gele kleurstof toe te voegen. Dat werd al tijdens het aanbrengen van die vloer gemerkt, maar geen paniek: een gele coating op de afwerkvloer was even mooi en omdat de aannemer de kosten daarvan voor zijn rekening zou nemen had de opdrachtgever geen bezwaar tegen die oplossing.

Bij de opneming van het werk werd echter geconstateerd, dat de coating op sommige plaatsen was losgekomen. Een formele in gebrekestelling volgde, waarbij de aannemer werd gesommeerd binnen veertien dagen een herstelplan te maken. Dat kwam pas een half jaar later en inmiddels had de aannemer een schadeclaim van een kwart miljoen aan zijn broek. Dat herstelplan werd door de opdrachtgever afgewezen omdat hij ervan uitging, dat de coating weliswaar geheel door hem vervangen zou worden, maar ook dat de kosten om dat mogelijk te maken geheel door de opdrachtgever gedragen zouden worden.

Die afwijzing was voor de aannemer aanleiding om naar de Raad van Arbitrage te stappen; die zou moeten beslissen, dat de aannemer met de uitvoering van het herstelplan aan zijn verplichtingen zou voldoen. Door de ingebruikneming zou de opdrachtgever namelijk het risico voor schade in de onderhoudsperiode op zich genomen hebben, maar daar was de arbiter van de Raad het helemaal niet mee eens. Hij vond, dat voor een verborgen gebrek als dit de aannemer aansprakelijk blijft, ook als het werk binnen de onderhoudsperiode in gebruik wordt genomen. Dat is zo voor de directe schade maar ook voor eventuele gevolgschade, zei de arbiter heel nadrukkelijk.

Het verzoek van de aannemer werd daarom afgewezen en omdat de opdrachtgever een tegenvordering had ingesteld waarbij hij ofwel het herstel van de vloer overeenkomstig het bestek eiste ofwel een vervangende schadevergoeding van meer dan f. 332.000 kwam die eis nu aan de orde. Ja, vond de arbiter, deugdelijk herstel kan op dit moment alleen plaatsvinden als de coating volledig wordt vervangen. Dat zou echter betekenen, dat de aannemer ook zou moeten zorgen voor het volledig ontruimen van de hal, dat hij de stellingen opnieuw zou moeten monteren en bovendien nog alle voorzieningen zou moeten treffen, die nodig waren om de opdrachtgever zijn bedrijf in die periode te laten voortzetten.

Zo’n deugdelijk herstel, waarop in beginsel recht bestond, zou echter leiden tot zeer aanzienlijke bedragen. Daarop wees ook de omvang van de ingediende alternatieve claim voor vervangende schadevergoeding. De omvang daarvan stond echter in geen redelijke verhouding tot de aard en de omvang van het geconstateerde gebrek. Met deze overweging besloot de arbiter gebruik te maken van zijn matigingsrecht, waarbij hij rekening hield met het feit, dat bedrijven als dit van tijd tot tijd hun interieur herschikken of zelfs helemaal vernieuwen. Bij zo’n gelegenheid zou dan de hele coating vervangen ke worden en wel op een betrekkelijk eenvoudige manier en met relatief weinig kosten.

De primaire eis tot volledig herstel werd daarom vanwege de zeer hoge kosten afgewezen; wel werd een vervangende schadevergoeding toegekend, maar die was vrij beperkt. Voor de kosten van vervanging te zijner tijd (met daarbij nog een aftrek nieuw voor oud!) en als vergoeding van de geleden en nog te lijden bedrijfsschade kende de arbiter een bedrag toe van f. 75.000. (BR 1989 p. 222).

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels