nieuws

‘Een bouwwerk hoort als een groot meubel te zijn’

bouwbreed

Degelijkheid, functionaliteit en vakbekwaamheid kenmerken de Nederlandse stoel. In De Beyerd te Breda zijn tot en met 18 juni een honderdvijftigtal zitmeubels te bewonderen van Neerlands bekendste ontwerpers, waaronder architecten van naam als Berlage, Van Doesburg, Oud, Dudok, Sipek. Alleen Rietveld slaagde erin ook met zijn zetels internationaal naam te maken: “de stoel is bekend doch weinig begrepen”. Een eeuw Nederlands stoelontwerp in vogelvlucht.

De getoonde stoelen en fauteuils onderscheiden zich hierin dat ze niet als een gebruiksvoorwerp, maar als kunstwerk zijn behandeld. De tentoonstelling ‘Honderd jaar Nederlands stoelontwerp’ geeft dan ook geen volledig beeld van de Nederlandse stoel, maar van de ontwerpersstoel van 1895 tot nu, verduidelijkt samensteller Rob Perree in de bij de expositie verschenen publikatie. Sommige stoelen kregen misschien wel om die reden ‘kunstige’ namen mee als Fauteuil Groeten uit Holland (Rob Eckhardt), Fulfil (Mart van Schijndel) of Twenty-seven point five (Jan Siebers).

Een eerste kennismaking met ‘Honderd jaar Nederlands stoelontwerp’, waar werk van vijftig ontwerpers is bijeengebracht, vormen de stoelen van H.P. Berlage. Voor deze architect is “een meubel een klein bouwwerk” en hoort “een bouwwerk als een groot meubel te zijn”. Op zijn creaties zijn termen als degelijkheid en functionaliteit zeker van toepassing.

Een zetel van Berlage staat soms letterlijk op poten, oftewel als een huis. Hij introduceerde sobere stoelen die wat materiaal en constructie betreft niets voor het oog verborgen. Doordat hij afzag van de daarvoor gehanteerde stijlen kan hij als pionier van het Nederlands stoelengebied worden aangemerkt. Zijn van alle overbodige tierelantijnen ontdane houten zetels doen een eeuw later nog altijd massief aan en moeten ook destijds prominent aanwezig zijn geweest.

Daar zou in de loop der tijd wel verandering in komen. De stoelenronde leidt door een zestal zalen en een galerij en brengt de bezoeker langs de ‘lichtere’ zitmeubelen van de Amsterdamse en de iets strakkere en zakelijkere Haagse School. Bij ir. K. van der Meer werd voor deze tentoonstelling een door H. Wouda ontworpen rode fauteuil geleend, die eens tot het meubilair van de Haagse Villa De Luifel behoorde. Architecten als Van Doesburg en Rietveld gaven de stoel vervolgens een kleuriger aanzien. Deze laatste verwierf met zijn ruimtelijke composities als een

van de weinigen ook internationale faam op stoelengebied. De Stijl-kenmerken zijn ook nog terug te vinden in een statige rode zetel van W. Dudok, bestemd voor een Hilversumse ambtenaar van de burgelijke stand (1931).

Van Rietveld is naast de overbekende Zigzag en zijn rood-blauwe geesteskind ook een uit een stuk aluminium vervaardigde stoel (1942) present, waarvoor hij wel even moest gaan zitten. “Ja, ’t is een zekere sport om een stoel uit een stuk te maken. Ik heb me altijd voorgesteld dat een stoel niet ingewikkelder moet zijn dan bijvoorbeeld een veiligheidsspeld. Nou is dat gemakkelijk gezegd, maar het is geweldig ingewikkeld om een stoel uit een stuk materiaal met een klap uit de machine te laten komen.”

Het hout ondervond allengs meer concurrentie van andersoortig materiaal. Veel transparanter zijn de stalen buismeubelen van W.H. Gispen en Mart Stam; duurzamer, makkelijker schoon te houden en – ook toen al een belangrijke overweging voor Nederlanders – goedkoper. De Stichting Goed Wonen bevorderde mede om die reden de fabricage van gelamineerde stoelen. Deze stichting stelde zich na de Tweede Wereldoorlog tot doel de ‘kwaliteit van het wonen’ te verbeteren met “eenvoudig, en economisch vormgegeven, machinaal geproduceerd, duidelijk en licht geconstrueerd en betaalbare” meubelen. Goed wonen kan sober en efficient, de prioriteit ligt bij het gebruik. Functionaliteit domineert ook ten tijde van de wederopbouw. De uit de grond gestampte gemeenschappelijke ruimtes worden aangekleed met speciaal hiervoor ontworpen zitmeubels, zoals de Theater en Schoolstoel (1958) van Friso Kramer. Gerrit Rietveld’s zoon Wim komt tot de Koppelstoel Pyramide (1960) en Theo Tempelman volgt een aantal jaren later met de Stapel-Koppelstoel (1967).

In de tijd die daarop volgt, stijgt de stoel snel in aanzien. De consument kiest heden ten dage zijn eigen stoel, die zich heeft ontwikkeld tot een luxe goed en functioneel kunstwerk met een prijzig kaartje. We zien een frivole creatie van Borek Sipek die zo uit een

Walt Disney-sprookje lijkt te zijn geplukt en een speels ontwerp van Gerard v.d. Berg die zijn eindprodukt naar een witte doek- held vernoemde (fauteuil Charley, 1983). Ook de vorm is in beweging; de A-symmetrische stoel, de cirkelstoel en de M-Chair en Seven-Chair zien het licht. Toch lijken veel moderne ontwerpers weer terug te grijpen naar het verleden, want de stoel Welcome (1993) van Gerrit Schilder doet sterk denken aan die van Charles Eames, met die uitzondering dat hij ‘de kuip’ door een zwarte geperforeerde deurmat heeft vervangen. Ook de ‘eenvoudige geest’ van Berlage waart weer rond. De stoelengeschiedenis lijkt zich te herhalen.

Honderd jaar Nederland stoelontwerp tot en met 18 juni in De Beyerd, aan de Boschstraat 22 te Breda. Geopend di t/m vrij: 10.00-17.00 uur. Za, zo en feestdagen: 13.00-17.00 uur. De tentoonstelling is in juli en augustus ook te zien in het Gemeentemuseum van Roermond.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels