nieuws

Onzekerheden meenemen bij ontwerpen van dijken

bouwbreed

In voorspellingen voor hoge waterstanden zitten onzekerheden. In beschouwingen over standzekerheid van dijken onder belasting door hoog water zitten onzekerheden. Maar bij het ontwerpen van dijken wordt tot nu toe met deze onzekerheden geen rekening gehouden. Dat moet anders.

Dat valt op te maken uit een voorlopige analyse van de hoogwaterperiode januari-februari dit jaar zoals gepresenteerd op het symposium ‘Hoogwater 1995’ in Tiel. Het symposium was georganiseerd door de Technische Adviescommissie voor de Waterkeringen (TAW) en het Civieltechnisch Centrum Uitvoering Research en Regelgeving (CUR). Aanleiding daartoe was de indruk dat de Nederlandse waterbouwkunde, “ons exportartikel bij uitstek”, door de gebeurtenissen en de berichtgeving daarover in een slecht daglicht is komen te staan.

Duidelijk werd dat de inzichten zijn aangescherpt. Maar die moeten nog wel geschikt worden gemaakt voor praktische toepassing. Dat geldt ook ten dele voor de uitgewerkte ideeen die een kleine groep uitvinders op het symposium mochten presenteren. Enkele van deze plannen worden inmiddels al toegepast.

Zo wordt het plan van J. De Jong uit Almere al gedeeltelijk uitgevoerd bij de Bomendijk in Voorst in Gelderland. Het plan omvat het graven van geulen in de dijk waardoor wordt voorkomen dat het dijklichaam bij een hoge waterstand ‘verweekt’. Dat leidt namelijk tot afname van de stabiliteit.

Onzekerheden

Op het symposium werd een voorlopige analyse van de hoogwaterperiode januari-februari 1995 gepresenteerd, opgesteld door de TAW. Geconcludeerd wordt dat bij de onderbouwing van het besluitvormingsproces rekening gehouden dient te worden met onzekerheden in hoogwatervoorspellingen, weersomstandigheden en standzekerheid van dijken.

Vastgesteld is dat de opgetreden afvoer op de Rijn, naar de huidige inzichten, een overschrijdingsfrequentie hebben van eens per 80 jaar. Dat is aanmerkelijk gunstiger dan een – hogere – waterstand met een overschrijdingsfrequentie van 1:1250 jaar die volgens het Deltaplan Grote Rivieren voor de versterkingen van rivierdijken wordt gehanteerd.

Geconcludeerd wordt verder dat tot dusver bij het ontwerpen van rivierdijken niet of nauwelijks rekening is gehouden met onzekerheden in de ontwerpafvoer van Rijn en Maas. Meer inzicht in het hydrologisch/hydraulisch gedrag van de rivieren in het gehele stroomgebied kan onzekerheden in voorspellingen van waterstanden en afvoeren op langere termijn verminderen.

De evacuatie in het rivierengebied blijkt vooral ingegeven door onzekerheid over de te verwachten macro-instabiliteit bij te verwachten waterstand. Die zouden aanmerkelijk te reduceren zijn door uitvoeren van grondonderzoek en het monitoren van de meest relevante sterkteparameters.

Verlagen kruin

De aanwezigen kregen van ing. H.H. Kok van het polderdistrict Groot Maas en Waal te horen dat: “we best wisten dat de dijken slecht waren maar dat politiek Nederland het risico kennelijk aanvaardbaar vond”. De Commissie Becht verlaagde de veiligheid van 1:3000 naar 1:1250, dus een lagere dijk. De commissie Boertien-I handhaafde de veiligheid, maar verlaagde de maatgevende afvoer van de Rijn van 16.500 naar 15.000 m3/sec. Dat betekende een verlaging van de kruin van te verbeteren dijken met minstens 50cm.

Nieuwe rekentechnieken maken het nu mogelijk het ontwerp van de dijk te verfijnen. Dat leidt tot een wetenschappelijk gevecht om de laatste 10 cm verlaging en versmalling.

“Met knappe probabilistische benaderingsmethoden bewijzen wij elkaar dat van een stelsel waterkeringen de een wat lager mag zijn dan de ander, maar dat het risico toch gelijk blijft.” Rond de Ooypolder bij Nijmegen, maar ook elders in het land, vertonen de kruinhoogten van een aantal verbeterde dijktrajecten deze hoogteverschillen. “De laatst verbeterde dijken zijn in Nederland het laagst”, zo stelde deze bestuurder vast.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels