nieuws

Kennis over milieu moet beter worden ingezet

bouwbreed

De kennis over het milieu moet begrijpelijker en bruikbaarder worden. De Stichting Bouwresearch (SBR) en de Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV) ontwikkelen om die reden een instrument ter kwantificering van de milieubelasting die een gebouw veroorzaakt.

Dit instrument neemt op integrale wijze de milieu-aspecten van het ontwerp, de bouw en het beheer van gebouwen mee. De zogeheten LCA-methode maakt de milieubelasting van (bouw)produkten tijdens de gehele levensduur inzichtelijk. De vele details van de methode maken een milieugerichte levenscyclusanalyse tijdrovend, kostbaar en afhankelijk van de informatie die over een produkt bestaat. Aldus projectmanager J. Vingerling van de Stichting Bouwresearch (SBR) uit Rotterdam.

De wijze voor het berekenen van de milieubelasting die een gebouw veroorzaakt ligt volgens Vingerling in het verlengde van de milieumaten die het Milieuberaad Bouw (MBB) bepleit. De LCA-methode komt voort uit de CML-handleiding ‘Milieugerichte levenscyclusanalyses van produkten’.

De Nota Produkt en Milieu stelt voor vijf milieumaten te maken die uitsluitsel geven over de milieubelasting. Een proefpo ging inmiddels in op de milieu-aspecten van binnenwanden en goten. Bij de opstelling wordt gekeken naar produkten waarvoor al eerder een levenscyclusstudie is gemaakt.

Het bewerken van de gegevens neemt dermate veel tijd in beslag dat voor slechts een beperkt aantal produkten of produktgroepen een gedetailleerde LCA-studie is gemaakt. Het uitvoeren van een LCA voor gebouwen valt uitermate gecompliceerd uit. Er moet namelijk rekening worden gehouden met milieu-effecten die het niveau van bouwonderdelen overstijgen. Te denken valt aan energiegebruik, onderhoud, de verschillende levensduur van bouwonderdelen en mogelijkheden voor selectieve sloop of renovatie.

Gebrek

Het gebrek aan gedetailleerde LCA-gegevens leidde volgens Vingerling tot de ontwikkeling van indicatieve methodes. Deze manier van aanpak geeft meestal een (kwalitatieve) indicatie van de milieubelasting. Te denken valt aan de Milieuvoorkeurmethode van Woon/Energie die de SEV in de Handleiding Duurzame Woningbouw verwerkte, de ABC-methode van BOOM en de Milieuclassificatie bouwmaterialen van het Nibe.

Gemeenten en architecten passen deze werkwijzen regelmatig toe. Het bezwaar van deze methoden zit in het feit dat ze meestal een vergelijking maken tussen produkten uit een bepaalde groep. Het is echter niet de som van de delen waar het om gaat maar om het gebouw als geheel. Een getal dient de milieubelasting van een gebouw weer te geven. De indicatieve methoden worden als onderling verschillend en soms als tegenstrijdig ervaren.

Voorkeurlijst

Het gaat er niet om of bijvoorbeeld een kozijn uit hout of uit kunststof is gemaakt. Belangrijker is het volgens Vingerling te weten hoe groot een raam wordt omdat het oppervlak mede het energieverbruik bepaalt en dus invloed uitoefent op de milieubelasting die een gebouw veroorzaakt. Het ene getal dat die belasting moet weergeven laat zich moeilijk vaststellen. De gevolgen van bijvoorbeeld de grondstofwinning moet worden afgezet tegen de CO2-uitstoot.

Het opstellen van een voorkeurlijst voor toe te passen materialen maakt het nemen van beslissingen gemakkelijker. Dergelijke overzichten brengen echter het gevaar met zich mee dat de kennis over het waarom van een voorkeur verloren raakt. Pasklare aanbevelingen ke er verder toe leiden dat bijvoorbeeld gemeenten klakkeloos lijsten verstrekken.

Rekenmethode

Het po ‘Operationalisatie van instrumenten voor de kwantitatieve bepaling van de milieubelasting van een gebouw’ moet een breed gedragen rekenmethode opleveren die de verschillende bouwpartijen kan voorzien van hanteerbare kennis over de milieu-aspecten van gebouwen. Voor de opstelling wordt volgens Vingerling gebruik gemaakt van elementen uit de LCA en de resultaten van de MBB-pogroep Milieumaten in de bouw.

De methode moet vervolgens leiden tot een geautomatiseerd in-strument dat architecten bij het ontwerp ke gebruiken. Later moet het aansluiten op bijvoorbeeld systemen voor bouwclassificatie en kostencalculatie en programma’s voor het berekenen van energieverbruik en voor het maken van tekeningen.

Opdrachtgevers en gemeenten moeten er later, voordat de planvorming begint, eisen voor de milieukwaliteit mee ke stellen en bouwplannen ke toetsen aan de gestelde prestatie-eisen.

Export

Een dergelijke methode biedt volgens Vingerling in beginsel ook goede exportmogelijkheden omdat het buitenland naar verluidt nog niet over een vergelijkbare berekeningswijze beschikt. Het CMC in Leiden speelt inmiddels al een internationale rol met de LCA-methode.

Nederland biedt naar wordt verwacht voldoende kansen voor de verdere ontwikkeling van het po. Vooral opdrachtgevers die voor eigen gebruik en beheer gebouwen laten realiseren tonen veel belangstelling voor een milieubewuste aanpak. Opdrachtgevers voor het genoemde po zijn de SBR en de SEV. Voor de uitvoering ervan tekenen Woon/Energie uit Gouda en IVAM Environmental Research uit Amsterdam.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels