nieuws

Trilschade

bouwbreed

Een van de meest voorkomende schade-oorzaken bij het bouwen is het heien van palen en damwanden. Daarom worden tegenwoordig vaak andere instrumenten dan het traditionele heiblok gebruikt. Een daarvan is het trilblok, dat op de kop van een heipaal wordt geklemd en daarna hydraulisch in trilling wordt gebracht. De heipaal (of damwand) trilt mee en ondervindt daardoor minder weerstand in de grond.

Om de kans op schade zo gering mogelijk te laten zijn, schreef de opdrachtgever van een bouw voor, dat voor het maken van de bouwput de stalen damwandplanken met een trillingsarm trilblok in de grond gebracht moesten worden. Toen de onderaannemer, die dat werk uitvoerde, twee dagen bezig was met het intrillen van de damwand moest hij daarmee ophouden omdat de bewoners van de omliggende huizen klaagden, dat hun muren gingen scheuren.

Er werd daarna helemaal geen gebruik meer gemaakt van de trilmethode; voor alle zekerheid koos men voor een sleufbekisting. De schade werd daardoor dan wel niet groter, maar de opdrachtgever vond, dat de omwonenden toch schadeloos gesteld moesten worden voor de door hen geleden schade. Daarvoor hield hij bij de eindafrekening een bedrag van f. 35.984,92 exclusief btw in. Hij vond namelijk, dat niet hij maar de aannemer aansprakelijk was voor die schade.

De inhouding was de reden, dat de aannemer naar de Raad stapte en die erop wees, dat in de U.A.V. bepaald wordt, dat de opdrachtgever de verantwoordelijkheid draagt voor de door hem voorgeschreven constructies en werkwijzen. Tijdens het geding namen zowel aannemer als opdrachtgever het standpunt in dat helemaal niet vaststond, dat de schade aan de belendende panden door het trilwerk was ontstaan. Maar als er schade was ontstaan, kwam die voor rekening van de opdrachtgever die de trilmethode had voorgeschreven, aldus de aannemer. Dat de opdrachtgever een op de cent nauwkeurig berekend bedrag voor die schade inhield van de eindafrekening zal wel zijn verklaring moeten vinden in zijn opvatting, dat als vastgesteld zou worden dat er wel degelijk schade door het trillen was ontstaan, hij ervoor moest zorgen dat die omwonenden hun schadeloosstelling zouden krijgen.

Maar de scheidsman van de Raad vond het niet eens nodig om te beslissen of de scheuren wel het gevolg waren van het intrillen van de damwand, hoewel ook hij twijfelde aan de oorzaak van die scheuren. Vastgesteld was namelijk, dat drie van die panden al voor de aanvang van het werk ernstige zakkingsverschijnselen vertoonden; bij twee verder gelegen panden was geen opneming verricht voordat met het intrillen van de damwandplanken begonnen werd. De mogelijkheid dat ook de scheuren daarin al bestonden kon dus niet helemaal worden uitgesloten.

Tegen het beroep van de aannemer op de bepaling in de U.A.V. dat de opdrachtgever verantwoordelijk is voor de door hem voorgeschreven werkmethoden, in casu het gebruik maken van een trilblok, bracht de opdrachtgever naar voren, dat hij juist het gebruik van een ‘trillingsarm’ trilblok had voorgeschreven in het bestek om te zorgen dat er geen heischade zou ontstaan in de naburige woningen. Weliswaar had hij geen trilfrequentie opgegeven voor dat trilblok, maar de aannemer had volgens hem door het inzetten van een trilblok met een trilfrequentie van 1600 tpm een fout gemaakt, gezien het feit dat met dit trilblok toch scheuren ontstonden.

Met die redenering was de arbiter het echter niet eens: het optreden van schade toont op zichzelf nog niet aan, dat het gebruikte trilblok niet voldoende trillingsarm was, zei hij. De aannemer mocht op grond van de hem verstrekte informatie over de bodemgesteldheid ervan uitgaan dat hij met het ingezette trilblok voldeed aan de in het bestek daaraan gestelde eis. Maar was de onderaannemer, die de damwand moest aanbrengen, niet veel deskundiger op dit gebied dan de opdrachtgever?

Als dat het geval was, had die de hoofdaannemer er dan niet voor moeten waarschuwen dat het gebruik van een trilblok schade kon veroorzaken aan de in een dijk gebouwde woningen, zoals hier? Als die in de bouwjurisprudentie algemeen aanvaarde waarschuwingsplicht van de gespecialiseerde (onder)aannemer ook hier bestond, zou men ervan moeten uitgaan dat de hoofdaannemer die waarschuwing had doorgespeeld aan zijn opdrachtgever. In dat geval zou die ofwel van de voorgeschreven methode hebben afgezien ofwel het risico hebben aanvaard van die methode.

Maar hij was niet gewaarschuwd, zo betoogde hij voor de Raad, dus was hij ervan uitgegaan dat het een verantwoorde manier van aanbrengen van de damwand was, zeker nu hij een trillingsarm trilblok had voorgeschreven. De arbiter vond echter, dat de waarschuwingsplicht alleen ziet op kennelijke fouten in de door de opdrachtgever gegeven voorschriften en niet op overdracht van ontwerprisico’s. Wat hij daarmee bedoelt is niet helemaal duidelijk. De vraag was toch of het voorschrift om een trilblok te gebruiken wel juist was!

De overgang van het risico voor daardoor ontstane schade is juist afhankelijk van de vraag of gewaarschuwd moest worden voor deze door de opdrachtgever voorgeschreven methode. Onze arbiter geeft als zijn oordeel dat de sonderingsgegevens een gespecialiseerd bedrijf niet tot de conclusie hadden moeten brengen, dat trillen niet zonder schade mogelijk was. Daarmee geeft hij dus aan, dat hier geen waarschuwingsplicht bestond.

De redenering van de opdrachtgever, dat het feitelijk ontstaan van schade voldoende is om achteraf te constateren dat de specialist wel tot die conclusie had moeten komen, wilde de arbiter dus niet volgen. Dat er afwijkingen in de bodemgesteldheid zouden hebben bestaan door de aanwezigheid van ‘wiepen’ (ineengevlochten bossen rijshout) wilde de arbiter niet geloven. Als die er wel geweest waren zouden de stalen damwandplanken een hogere weerstand dan normaal hebben ondervonden.

In zo’n situatie kan een aannemer zich op de U.A.V. beroepen, die zeggen, dat de opdrachtgever ook verantwoordelijk is voor de invloed van de bodemgesteldheid op de door hem voorgeschreven werkwijzen. Dit was dus niet de reden, dat de arbiter de opdrachtgever in het ongelijk stelde. Die was gelegen in de overweging, dat par. 5 van de U.A.V. hier onverminderd van toepassing was omdat de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever hier niet opzijgeschoven werd door het bestaan van een waarschuwingsplicht van zijn aannemer.

(BR 1995 p. 78)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels