nieuws

Raadsman van Brabants bouwbedrijf over Annex-zaak: ‘Onrechtmatige daden zijn begaan onder vigeur RUL’

bouwbreed

Bouwbedrijf De Kempen uit Rijsbergen, dat samen met een aantal onderaannemers en toeleveranciers financieel ernstig gedupeerd werd bij het bouwpo De Annex in Leiden, heeft de daad bij het woord gevoegd. Het heeft zijn advocaat, mr. M.J. van Dam uit Rotterdam, de Rijksuniversiteit Leiden (RUL) nu formeel laten aanspreken op f. 841.966,96, exclusief. wettelijke rente vanaf 19 juli 1994.

Nadat de RUL na moeizame onderhandelingen het retentierecht op de onvoltooide Annex had overgenomen voor f. 1,8 miljoen, kondigde directeur J. Denier van het bouwbedrijf aan zich te bezinnen op verdere juridische stappen om het nog niet aan de betrokken bedrijven vergoede schade alsnog op te eisen.

In een brief aan RUL-adviseur mr. E. G. Sprey noemt de raadsman van de Brabantse aannemer een aantal gronden om de claim te onderbouwen. In de eerste plaats noemt mr. Van Dam artikel 170 boek 6 Burgerlijk Wetboek: “Door de onrechtmatige handelwijze van directeur bedrijfsvoering Th. J. Doevenspeck van de RUL is een grote schade ontstaan, niet alleen voor de rijksuniversiteit zelf, doch ook voor mijn client. In ieder geval is door de handelwijze van Doevenspeck de schade voor mijn client sterk vergroot.”

Mr. Van Dam wijst er op dat “door middel van smeergeld dat -naar ik begrijp- aan Doevenspeck is betaald, de RUL bij de realisatie van de Annex malafide ondernemers heeft ingeschakeld, te weten Fibomij BV en diens 100% dochter ABS Eurospan Benelux BV”.

Spoorloos

De Rotterdamse advocaat doelt hiermee op het bedrag van f. 400.000 dat Fibomij-directeur P. van Koningsveld aan Doevenspeck zou hebben betaald in de vorm van cheques, teneinde te bewerkstelligen dat het bouwpo aan hem zou worden gegund. Bij de bouw zijn vervolgens vele miljoenen spoorloos verdwenen. Geld dat bestemd was voor betaling van onder meer de Brabantse aannemer.

Maar Fibomij en ABS Eurospan Benelux hebben het bouwbedrijf “op onrechtmatige wijze zonder betaling laten zitten en derhalve aan client grote schade toegebracht, net zoals ook de RUL (en anderen) door Fibomij en ABS Eurospan Benelux is/zijn bedrogen”.

Afgedekt

Het toebrengen van die schade is volgens mr. Van Dam mogelijk geworden “doordat de positie van Fibomij en ABS Eurospan Benelux binnen de universiteit werd afgedekt door een functionaris van de RUL, namelijk Doevenspeck, aan wie daartoe smeergelden werden betaald”.

Overigens is Doevenspeck hiervoor nog niet veroordeeld. Het strafrechtelijk onderzoek in de Annex-affaire is nog steeds niet afgerond. Het wachten is op gegevens uit het buitenland. Maar algemeen is de verwachting dat de strafzaak tegen de hoofdverdachten (Doevenspeck en de directeuren van Fibomij en ABS Eurospan Benelux, resp. P. van Koningsveld en A. van Meijeren) dit jaar plaatsvindt.

Ook ten aanzien van de door Fibomij en ABS Eurospan Benelux gepleegde “onrechtmatige daden” bestaat volgens mr. Van Dam “kwalitatieve aansprakelijkheid van de RUL jegens mijn client” (artikel 171 van boek 6 BW).

Hij beklemtoont dat die onrechtmatige daden namelijk begaan zijn onder de vigeur van de RUL “gezien de rol van Doevenspeck”. Mr. Van Dam constateert verder dat “in procedures tussen mijn client en eerder genoemden in de rechtszaal de naam van de RUL door Fibomij en ABS Eurospan Benelux is ge- en misbruikt. De door deze bedrijven begane fouten in de zin der wet springen in het oog, ze worden daarvoor zelfs strafrechtelijk vervolgd.”

Rol van College

Hoewel volgens mr. Van Dam “wellicht kan worden gesteld dat de door Fibomij en ABS Eurospan Benelux gepleegde onrechtmatige daden niet door de RUL zijn opgedragen, ke zelfs daarbij de nodige vraagtekens worden gesteld gezien de rol van Doevenspeck als belangrijk functionaris van de RUL”.

Tenslotte meent hij dat aansprakelijkheid-aspecten aanwezig zijn terzake de handelwijze van het College van Bestuur in het algemeen en ten aanzien van de kwestie van de Annex in het bijzonder. Zoals bekend heeft het onjuist functioneren van het College van Bestuur en diens voorzitter, geleid tot het aftreden van voorzitter mr. C. Oomen.

Aan een en ander kan volgens mr. Van Dam ten grondslag worden gelegd het rapport van de door voormalig staatssecretaris Cohen ingestelde onderzoekscommissie.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels