nieuws

EIB: ‘Recessie werkt vertraagd door in cijfers’ Winst in bouw lager, maar stabieler dan bij industrie.

bouwbreed

Bouwbedrijven behalen lagere winstmarges dan de meeste industriele ondernemingen. Het bedrijfsresultaat voor belasting in de periode 1980-1992 bedroeg gemiddeld 2,9 procent, terwijl een bedrijfstak als de bouwmaterialenindustrie een percentage kent van 7,9. Rendementen van bouwers zijn daarentegen wel stabieler dan bij industriele ondernemingen.

“Voor dit verschil kan een aantal factoren worden genoemd. In de eerste plaats komt in de bedrijfstak bouw door de heterogeniteit van het bouwprodukt maar weinig identieke herhalingen van werken voor. Er zijn dus minder kostenvoordelen te behalen uit produktspecialisatie en standaardisatie. Daarnaast is er sprake van een sterke concurrentie tussen de bouwbedrijven onderling. Een derde factor is het arbeidsintensieve produktieproces. Door de geringe mogelijkheden tot het verbeteren van de produktiviteit drukken de hoge loonkosten het behaalde bedrijfsresultaat.”

De drie verklaringen schrijft drs. H.S.A. Scholman van het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid (EIB) in het onderzoek ‘De relatieve financiele positie van de bedrijfstak bouw’. Hierin wordt een financiele vergelijking gemaakt tussen de bouw en enkele toeleveranciers aan de bouw, zoals de hout- en meubel-, de bouwmaterialen-, de metaalprodukten-, de elektrotechnische en de chemische, rubber- en kunststofverwerkende industrie. De EIB-er gebruikte voor het onderzoek de ‘Statistiek financien van grote ondernemingen’ van het Centraal Bureau voor de Statistiek over de periode 1990-1992.

Stabiel rendement

Een ander opvallend onderscheid tussen bouw en toeleveranciers is volgens Scholman, dat in de eerst genoemde bedrijfstak sprake was van een veel stabielere ontwikkeling van het bedrijfsresultaat dan bij industriele ondernemingen. “Tevens was de ontwikkeling van het resultaat in de bouw in de economische recessie en herstelfase tegengesteld aan die van de toeleverende industrie. Het is een gevolg van de door de conjunctuur bepaalde prijsontwikkeling van de benodigde produktiemiddelen, uitvoeringsduur en de grootte van de bouwobjecten.”

Gemiddelde opbrengst

De rendementsindicatoren RTV (rentabiliteit van het totale vermogen) en REV (rentabiliteit van het eigen vermogen) vertonen in grote lijnen dit onderscheid. Zo is de gemiddelde opbrengst die door bouwbedrijven met het totale geinvesteerde vermogen wordt behaald 6,4 procent en voor hoofdaannemers 8 procent. De toeleveranciers schommelen tussen de 5,5 procent (elektrotechnische industrie) en 9,8 procent (kunststofverwerkende industrie). EIB: “Het relatieve verschil tussen de diverse bedrijfstakken is echter minder groot dan bij het gerealiseerde bedrijfsresultaat. De hogere omloopsnelheid van het totale vermogen zorgt namelijk voor dit kleinere verschil.”

Hefboomwerking

Ook in het REV komen de verschillen tussen bouw en toeleveranciers tot uitdrukking. Bouwers behalen een REV van gemiddeld 13,4 procent, “terwijl in de bouwmaterialenindustrie dat percentage op 19,7 ligt. De REV is daarbij het resultaat van twee afzonderlijke factoren: de RTV en het hefboomeffect”.

In het rapport constateert de onderzoeker twee kenmerkende verschillen voor in de rendementsontwikkeling. Het rendement is lager maar stabieler dan de meeste industriele ondernemingen. “Ten tweede blijkt de invloed van de conjunctuur bij de industriele ondernemingen direct zichtbaar te worden in de gerealiseerde rendementen. Bij de bouwbedrijven werkt de conjunctuur enigszins vertraagd door in zowel economisch slechte als goede tijden.”

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels