nieuws

Garantie met vijftig procent effect

bouwbreed

Wat houdt de garantie, die je ergens op krijgt, nu eigenlijk in? De doorsnee consument krijgt met garanties vooral te maken bij de koopovereenkomst. De aanschaf van een apparaat, waarop garantie wordt verleend, betekent de zekerheid, dat de gegarandeerde eigenschappen ervan aanwezig zijn. Mochten die ontbreken, bijvoorbeeld door een mankement aan een van de onderdelen, dan houdt de garantie in dat de verkoper het apparaat repareert zonder daarvoor kosten in rekening te brengen.

Dat is een heel andere garantie dan die recht geeft op ontbinding van de overeenkomst met schadevergoeding. Die zogenaamde sterke garantie moet ofwel uitdrukkelijk zijn overeengekomen ofwel uit de omstandigheden afgeleid ke worden. Alleen als de gegarandeerde eigenschap zo belangrijk is, dat de aanwezigheid ervan het wezen van de overeenkomst uitmaakt kan er sprake zijn van zo’n sterke garantie.

Het aanbrengen van een airco-installatie, waarvan de goede werking en de toereikende capaciteit was gegarandeerd, viel zeer waarschijnlijk niet onder die laatste categorie. De constatering, dat de installatie niet voldeed aan de in het bestek voorgeschreven capaciteit, betekende dat de garantieverplichting van de installateur bestond uit het vervangen van de airco door een van voldoende capaciteit ofwel het bijplaatsen van een apparaat dat samen met de onvoldoende installatie de vereiste capaciteit zou opleveren.

Welke oplossing tussen opdrachtgever en aannemer ook overeengekomen werd, de kosten ervan dienden op grond van de garantie volledig door de aannemer te worden gedragen. Zo zou je tenminste op het eerste gezicht denken.

Maar de Raad van Arbitrage, die met dit geval werd geconfronteerd, kwam tot de conclusie dat op billijkheidsgronden tot een wat genuanceerder standpunt moest worden gekomen. Het installeren van de airco was door de opdrachtgever als meerwerk opgedragen aan de aannemer van het hele werk. Dat was gebeurd op verzoek van de aannemer, nadat de directievoerende architect namens zijn opdrachtgever een installateur al opdracht had gegeven de airco te leveren en te monteren. Daaraan was wel het een en ander voorafgegaan.

Er waren twee offertes uitgebracht voor dit onderdeel van het werk. Die verschilden nogal: de een wilde de airco aanbrengen voor – 100.000 met een eventuele meerprijs van – 40.000, de ander voor nog geen – 60.000. Dat was voor de opdrachtgever kennelijk nog te veel. Hij vroeg de uiteindelijke installateur om een offerte. Die kwam op een bedrag van – 51.180. Ook daar werd nog wat van afgepingeld, zodat de uiteindelijke opdracht voor – 50.500 werd gegeven.

Dat gebeurde nadat de architect zijn opdrachtgever daartoe nadrukkelijk had geadviseerd omdat hij al tien jaar zaken met deze installateur had gedaan zonder dat zich ooit problemen hadden voorgedaan. Die opdracht van de architect aan de installateur werd uiteindelijk vervangen door een van de aannemer. Dat betekende dus, dat de airco in onderaanneming werd aangebracht, omdat de aannemer dat graag wilde. Die moest dan ook de garantie verlenen aan de opdrachtgever.

Nadat gebleken was, dat de airco niet aan de gegarandeerde capaciteit toekwam, ontstond een discussie wie de kosten van het op voldoende capaciteit brengen moest dragen, de opdrachtgever of de aannemer. De aannemer vond, dat zijn opdrachtgever verantwoordelijk was voor de keuze van de installateur. Hijzelf bezat geen enkele deskundigheid op het gebied van airconditioning en was daarom volledig afgegaan op die van de architect. Maar die was dat ook niet, zei de opdrachtgever; hij had alleen het esthetisch aspect in zijn beoordeling betrokken.

Dat laatste wilden de arbiters niet geloven. De aannemer mocht erop vertrouwen, dat de opdrachtgever – op advies van zijn architect – op een technisch verantwoorde manier voor deze installateur had gekozen. Nu de installatie bovendien onder toezicht van de architect had plaatsgevonden was er sprake van een eigen verantwoordelijkheid van de opdrachtgever voor de tekortschietende capaciteit van de airco-installatie.

Hoewel door de aannemer aan zijn opdrachtgever de garantie was verstrekt, dat de installatie de toereikende capaciteit had, vond de Raad dat onder deze omstandigheden die garantie niet inhield dat de opdrachtgever aanspraak kon maken op het voor hem kosteloos aanbrengen van een voorziening, die de gegarandeerde eigenschap wel had. In de opvatting van de Raad was er sprake van een eigen verantwoordelijkheid van de opdrachtgever, die door de garantie werd weggenomen. Daarom diende hij in billijkheid 50 procent van de aansprakelijkheid te dragen. Bedoeld zal zijn: de helft van de kosten.

Wat in deze zaak natuurlijk direct opvalt is, dat hier niet getwist werd tussen de aannemer en de installateur, want die laatste was eigenlijk degene, die de garantie kon verlenen. Hier had de aannemer dat gedaan omdat hij, en niet de installateur, zich tegenover de opdrachtgever verbond om de airco te leveren en aan te brengen. Door de installateur dat in onderaanneming te laten doen nam hij het risico op zich, dat de installatie niet aan de eisen zou voldoen. Dat risico had hij weer op de installateur ke afwentelen door hem de goede werking en capaciteit te laten garanderen. Of hij dat gedaan dan wel ‘vergeten’ heeft vermeldt dit arbitrale vonnis niet.

Als hij het gedaan heeft kan hij na zijn veroordeling tot 50 procent van de netto herstelkosten die kosten verhalen op de installateur; in het andere geval zou hij hem moeten aanspreken op grond van een hem toerekenbare tekortkoming. De opdrachtgever heeft echter geen garantie-aanspraak meer en kan ook de installateur niet aanspreken, want hij had met hem geen overeenkomst gesloten, die de mogelijkheid zou geven hem van wanprestatie te betichten. Hij is dus wel de echte verliezer in deze zaak.

(BR 1995 p. 959)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels