nieuws

Spijt van intrekking

bouwbreed Premium

Je kunt niet twee keer over dezelfde zaak procederen. De oude Romeinen hadden dat in hun rechtsstelsel al tot een onaantastbaar adagium verheven. “Ne bis in idem” heette dat. Die stelregel gaat in beginsel zowel voor het burgerlijk als voor het strafrecht op.

Niet alleen bij de gewone rechter moet je dus niet aankomen met dezelfde eis als die al een keer is afgewezen, ook bij arbitrage-instituten lukt een nieuwe behandeling van zo’n vordering niet. Dit betekent natuurlijk niet, dat een nieuwe beoordeling door een hogere rechter uitgesloten is, want anders zou je nooit van een rechterlijk of arbitraal vonnis in hoger beroep ke gaan. Maar twee keer bij dezelfde rechter aankomen met dezelfde vordering heeft geen enkele zin, want dan volgt onherroepelijk het “niet ontvankelijk”.

Dat probeerde de opdrachtgever, die in een procedure voor de Raad van Arbitrage zich door zijn aannemer had laten ompraten om zijn vordering tot verrekening van minder werk in te trekken, dan ook niet. Die vordering had hij ingediend omdat de laminaat benedenvloer in zijn huis was gaan schuiven. Hij dacht dat dit het gevolg was van het feit dat er geen underlayment was aangebracht.

Hij eiste echter niet dat dit alsnog zou gaan gebeuren, maar wilde dit als minderwerk verrekend zien. Door de intrekking van die eis deed de Raad daarover dus ook geen uitspraak. Hij zal daar wel spijt van gehad hebben want na het vonnis van de Raad bleek dat er een andere oorzaak zat achter het schuiven van de vloer; die veerde en wel zo sterk, dat het dressoir kantelde als je er voorbij liep.

Volgens een door de opdrachtgever van de bouw ingeschakeld constructiebureau was er zowel op de beneden- als op de bovenverdieping sprake van ‘slappe vloeren’. Deze waren het gevolg van een te grote overspanning van de balken op de benedenverdieping en van te smalle balken op de bovenverdieping. Dat laatste betekende, dat het plafond beneden helemaal verwijderd zou moeten worden. Zijn raadslieden dachten een oplossing te hebben gevonden; dat zij dit gebrek niet opnieuw aan de orde konden stellen vanwege de hierboven genoemde regel. Zij gingen in hoger beroep van het vonnis van de Raad en vroegen die om een beoordeling van het geconstateerde gebrek.

De Raad, die nu anders samengesteld was en nu ook met een ervaren jurist over dit verzoek oordeelde zei echter, dat het in beroep komen van een in eerste instantie ingetrokken aanspraak per definitie niet mogelijk is. Door de intrekking van een aanspraak is het geschil daarover immers van de baan en is er geen uitspraak over gedaan. Dat je alleen maar van een uitspraak in beroep kunt gaan omdat je het daar niet mee eens bent hadden de raadslieden ook ke bedenken. Zij hadden misschien een betere kans gehad een heel nieuwe procedure te starten want in feite kwam de opdrachtgever van de bouw met een andere eis dan die hij had ingetrokken.

Dat zei het beroepscollege ook met zoveel woorden. Als in hoger beroep de arbiters deze nieuwe eis in behandeling zouden nemen zou de aannemer van een instantie worden beroofd. Daarmee bedoelden zij, dat van een beslissing in hoger beroep geen beroep meer zou openstaan en dat hoger beroep zou wel mogelijk zijn als de eis van de opdrachtgever gewoon bij de Raad zou zijn ingediend. Dat was ook een van de redenen, dat de aannemer zich tegen behandeling van de nieuwe eis in een hoger beroepsprocedure verzette.

Er volgde dus een uitspraak, die te verwachten was: de opdrachtgever werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. Is daarmee nu het te woord gezegd over deze zaak? Er is immers geen inhoudelijke beoordeling van de Raad geweest over de vordering van de opdrachtgever. Zou er misschien een mogelijkheid zijn de gewone rechter in te schakelen?

Over die vraag verschaft de nieuwe arbitrage-regeling in de wet van 2 juli 1986 duidelijkheid. Als partijen arbitrage zijn overeengekomen moet de overheidsrechter zich onthouden van het geschil kennis te nemen (art. 1022, lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Hier was duidelijk sprake van een arbitraal beding, zodat de kans op een inhoudelijke beoordeling van de eis tot herstel van de ‘slappe vloeren’ door de gewone rechter nihil was. Maar ook in het geval dat de overheidsrechter een beslissing heeft genomen is het niet meer mogelijk de arbitrale weg te volgen.

Dat besliste de Raad toen een hoofdaannemer zich in kort geding tot hem wendde, hoewel tussen hem en zijn onderaannemer een arbitraal beding gold. Dat kan, want op grond van hetzelfde artikel mag in zo’n geval de president kennis nemen van een eis in kort geding. Die weg had de hoofdaannemer gekozen, maar die presidentiele beslissing was niet naar zijn zin want hij ging van diens vonnis in hoger beroep. Hij wilde kennelijk alle mogelijkheden benutten om alsnog een voor hem gunstige beslissing krijgen, want voordat om dat beroep was beslist, ging hij ook naar de Raad van arbitrage met dezelfde eis.

De Raad hield hem echter voor, dat hij, nadat hij de keuze had gemaakt om zijn vordering aan de president voor te leggen, dezelfde kwestie niet nog eens in een arbitraal kort geding aan de orde kon stellen. Zo’n nieuwe arbitrale procedure zou misschien mogelijk zijn als er sprake was van wezenlijk nieuwe feiten, maar daar was hier niets van gebleken. Daarom werd ook hier een ‘niet-ontvankelijk’ uitgesproken. Kort en goed: onze opdrachtgever heeft dus door de intrekking van zijn vordering zijn mogelijkheden verspeeld om zijn vloeren op kosten van de aannemer hersteld te krijgen, tenzij een gewone nieuwe indiening van zijn eis tot herstel of verrekening bij de Raad tot succes kan leiden. Dat was in ieder geval een betere mogelijkheid geweest dan het kiezen van die van hoger beroep. (BR 1995 p. 253 en 255).

Reageer op dit artikel