nieuws

Een halve eeuw centra vakopleiding, of: Van Rijkswerkplaats tot ‘marktgericht’ bedrijf

bouwbreed

Drs. G.M. Buwalda directeur centra vakopleiding Friesland is zichtbaar tevreden over de activiteiten van de vakopleiding. Natuurlijk zegt zij zich er van bewust te zijn dat de centra de komende vijftig jaar verder zullen ontwikkelen. Maar verdwijnen?: “Nee, ik geloof niet dat het huidige beroepsonderwijs op dit moment in staat zal zijn te ke doen wat wij nu in de centra doen. Op de lange termijn? Alleen al qua lesmateriaal liggen wij nu een eind op ze voor.”

De komende zes maanden vieren de centra vakopleiding van de Arbeidsvoorziening het vijftig jarig bestaan. Het startsein voor de festiviteiten die overigens per regio worden ingevuld, heeft op donderdag 15 september plaats. Dan zetten alle tachtig vestigingen hun deuren open. Tijdens deze landelijke open dag ke zowel werkgevers als werkzoekenden informatie over het reilen en zeilen van de centra vakopleiding krijgen. Maar ook de geschiedenis van de centra zal centraal staan.

Immers, het is dan op de kop af een halve eeuw geleden dat de toenmalige regering in ballingschap een commissie aan het werk zette die de opdracht krijgt een scholingsaanbod op te stellen voor al diegenen die gedurende de oorlog niet of nauwelijks een opleiding hebben gehad. Voorop staat dat zodra de oorlog achter de rug is deze mensen in een snel tempo ke worden geschoold.

Experiment

In april ’45 wordt in Eindhoven een experiment met twee cursussen gehouden. Het gaat om de vakopleidingen timmeren en metselen. “Omdat het land opnieuw moest worden opgebouwd staan die eerste opleidingen geheel in het teken van een min of meer technisch vak. Dat zou overigens tot eind van de zeventiger jaren zo blijven”, vertelt A.P. Tevel, senior produktmanager. In zijn functie houdt hij zich vooral bezig met het (laten) schrijven van lesmateriaal voor nieuwe opleidingen en de herziening van het materiaal voor al bestaande cursussen.

Het Eindhovense experiment slaat aan, en door de toenmalige minister Wijffels van sociale zaken wordt – 11 miljoen beschikbaar gesteld om opleidingscentra voor de wederopbouw van Nederland op te zetten. ‘Hoofdelijk versneld Scholen’ is vervolgens de term die valt als de opleidingen aan de Rijkswerkplaatsen worden uitgelegd. “De toen bedachte formule”, vertelt Tevel, “werkt nu nog steeds. Daarbij gaat het erom dat de cursist op ieder moment een opleiding kan gaan volgen die hij of zij vervolgens in het eigen tempo doorloopt. Zo is er min of meer een individuele opleiding ontstaan die de beste resultaten oplevert.”

De cursussen zijn sterk op de praktijk gericht. Zowel Buwalda als Tevel noemt dit dan ook de kracht van de centra vakopleiding. “In wezen wordt hier de praktijk in bedrijfsvorm nagebootst. Er staat vaak dezelfde apparatuur als in de bedrijven zodat direct wordt ingespeeld op de situatie waar de cursist later mee te maken gaat krijgen.”

Doelgroep

Daarbij moet volgens de senior produktmanager niet worden vergeten dat het hier gaat om een speciale doelgroep. “We praten over werklozen die vaak al een tijd thuiszitten. In ieder geval zijn het overwegend volwassenen die in een snel tempo voor een betaalde baan moeten worden klaargestoomd. Dan werkt alleen een geconcentreerde methode waarbij de schoolse aanpak zoveel mogelijk achterwege wordt gelaten.”

De opgerichte Rijkswerkplaatsen die in die beginjaren als paddestoelen uit de grond schieten, hebben duidelijk de wind mee. In de brochure die in het kader van het vijftig jarig bestaan wordt uitgegeven komt dat duidelijk naar voren in een beschrijving over 1950: “Om de opleidingscapaciteit op te voeren gaan de Rijkswerkplaatsen met een twee-ploegenstelsel werken. Van 7.00 tot 19.30 uur krijgen cursisten in twee ploegen praktijk en tekeninglezen. De vraag op de arbeidsmarkt naar vakgeschoold personeel is zo groot dat het Nijverheidsonderwijs er niet in kan voorzien.”

De uitstroom via de werkplaatsen is enorm. Dat is anno 1994 wel anders. Momenteel wordt bij Arbeidsvoorziening het 80-procent-cijfer gehanteerd. “Dat wil zegen”, zo verduidelijkt Tevel, “dat tachtig procent van de cursisten binnen drie maanden na beeindiging van de opleiding een baan vindt.”

Overigens zegt de directeur van de centra vakopleiding Friesland dit cijfer niet te hanteren. “Ik weet dat daarmee in Rijswijk (waar het hoofdkantoor van de Arbeidsvoorziening is gevestigd-HO) veel wordt geschermd. Persoonlijk ben ik daar geen voorstander van. Zo’n cijfer verliest op zeker moment z’n kracht. Zelf spreken we hier van een ‘hoog percentage’ van de cursisten dat aan het werk komt.”

Tien jaar na het in het leven roepen van de Rijkswerkplaatsen, neemt in 1955 de veertigduizendste cursist de door hem behaalde oorkonde voor de opleiding van metselaar in ontvangst. En om nog even in de jaren vijftig te blijven: In 1958 gaan de Rijkswerkplaatsen Regionale Werkplaatsen heten. De reden voor deze naamswijziging is tweeledig. Enerzijds blijkt de naam Rijkswerkplaats te veel met justitie te worden geassocieerd en anderzijds vervullen de werkplaatsen in steeds belangrijkere mate een regionale rol.

“De arbeidsmarkt”, legt Tevel uit, “verschilt per regio enorm. Dat werd toen al erkend. Nu is dat helemaal het geval. Het is nu eenmaal zo dat de arbeidsmarkt in Rotterdam sterker naar bij voorbeeld havengebonden activiteiten neigt dan in Utrecht waar de arbeidsmarkt weer door de dienstverlening wordt gekenmerkt.”

Duidelijker

Steeds duidelijker wordt de rol van de centra vakopleiding. “Het is gewoon een hulpmiddel bij bemiddeling tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Zo simpel is dat”, zegt Buwalda op nuchtere toon.

Het opleidingenaanbod wordt eind jaren vijftig en begin jaren zestig flexibel op de veranderende arbeidsmarkt afgestemd. Opleidingen voor steenzetters en rijswerkers worden opgezet om aan de vraag naar personeel voor het herstellen van de schade aan de Zeeuwse dijken te ke voldoen, terwijl de cursus voor terrazzowerkers en kunststeenwerkers door een gebrek aan vraag op de arbeidsmarkt wordt stopgezet.

De eerste vrouw stapt in 1962 de Regionale werkplaats binnen. Zij is na een medisch en psychotechnisch onderzoek toegelaten tot de opleiding van timmerman. “Een aannemer heeft inmiddels verklaard dat hij het aandurft haar op een timmerwerkplaats in te schakelen, maar niet voor steiger- of kapwerk.”

Een medisch en psychotechnisch onderzoek zal tegenwoordig niet meer zo snel plaatshebben maar het moet volgens Tevel wel duidelijk zijn dat niet iedereen zo maar iedere opleiding kan gaan volgen. “Er heeft een zekere toetsing plaats. Er moet wel een gerede kans zijn dat iemand na de opleiding in dat vak kan doorstromen. Het heeft geen zin om bijvoorbeeld iemand met een lichaamslengte van 1 meter 60 een opleiding te geven voor een vak waar je bij wijze van spreken 1 meter 80 moet zijn. Dat soort zaken wordt wel degelijk bekeken. Toen, en nu nog steeds.”

Getuigschrift

In de jaren zestig wordt wederom de naam gewijzigd. Vanaf 1963 gaan de Regionale Werkplaatsen ‘centra voor vakopleiding van volwassenen’ heten. Vier jaar later ontvangt de 70.000ste cursist zijn getuigschrift. In 1970 begint in Limburg een 29-jarige moeder van vier kinderen met de opleiding tot bankwerker. “Inderdaad ligt de stap naar de werkbank voor iemand met een MMS-diploma niet in de lijn der verwachting”, zegt zij. “Maar”, met wat achteraf een vooruitziende blik blijkt te zijn geweest, “ik geloof dat het binnen tien jaar heel normaal is. Ik ben ervan overtuigd dat veel vrouwen zullen volgen.”

Buwalda: “Er lopen hier veel vrouwen rond. Vrouwen ook die een duidelijke keuze voor een technische opleiding hebben gemaakt.”

Ingegeven door een veranderende vraag op de arbeidsmarkt wordt eind jaren zeventig begonnen met het geven van administratieve opleidingen. Ook dit keer weer via het inmiddels beproefde procede met de werkplaatsen, dat wil zeggen: het inrichten van kantoren volgens de heuse werkelijkheid.

Verantwoordelijkheid

De centra vakopleiding in de regio’s krijgen steeds meer een eigen verantwoordelijkheid. De lijnen worden weliswaar in Rijswijk globaal uitgezet maar het is aan het Regionaal Bureau Arbeidsvoorziening (RBA) zelf om daar een invulling aan te geven. “Zo werkt het ook het beste”, benadrukt Buwalda. “Wij zitten hier tussen de bedrijven en noem het maar de afnemers van onze mensen. Wij weten als RBA het beste hoe de regionale arbeidsmarkt moet worden benaderd.”

Ook Tevel ziet slechts voordelen aan de decentralisatie die, zeg maar sinds het begin van de jaren tachtig, zijn opmars binnen Arbeidsvoorziening gemaakt heeft. En dan valt voor de eerste keer tijdens het gesprek de management-term ‘marktgericht’. “Ja, er moet nu eenmaal marktgerichter worden gewerkt. Wij zijn er voor twee partijen, de cursist en de ‘afnemer’. De cursist wil als klant een opleiding volgen, en wij doen ons werk goed als die opleiding zodanig op de praktijk aansluit dat de klant direct in een baan kan doorstromen. De afnemer, in de vorm van de werkgever, is ook tevreden omdat hij een naar de praktijk geschoolde persoon in dienst kan nemen.”

Benadering

Het is een verschil in benadering die wellicht het beste wordt getypeerd door een omschrijving van de selectieprocedure in 1947: ‘Selectie van cursisten vindt plaats door de Rijksarbeidsbureaus omdat met de opleiding niet alleen een vaderlands, economisch belang is gediend, maar telkens weer zestig of tachtig jonge mannen worden afgeleverd, die van mopperende slenteraars zijn omgevormd tot levensblije werkers, afgezien nog van hun metamorfose van loopjongens tot vakmenschen.’

Maatwerk, marktgericht, commercieel, marktaandeel, accounts en scoren. Het zijn woorden die mevrouw Buwalda regelmatig gebruikt. De centra, hoe autonoom ook ingesteld, hebben een regionale taakstelling waar ze aan moeten voldoen. En dat kan in de ogen van de directeur Friesland alleen wanneer er ‘zakelijk’ en ‘commercieel’ met de centra wordt omgegaan.

In de praktijk betekent dat volgens haar vooral het aanhalen en onderhouden van contacten met de werkgevers in de regio. “Per slot van rekening zijn dat onze accounts waar wij de cursisten uiteindelijk onderdak moeten brengen”. En dat lukt de vestiging in haar ogen goed. “Het afgelopen jaar hebben wij bijvoorbeeld 235 mensen zonder verdere bemoeienis van het arbeidsbureau direct in een baan weten te plaatsen.”

Feeling

Die contacten zijn verder ook van belang om feeling met ‘de markt’ te houden. “Onze opleidingen moeten naadloos op de praktijk aansluiten. We moeten dus wel in de gaten houden dat we bijvoorbeeld ons technische apparatuur up to date houden. Je hebt er niets aan wanneer je hier een freesmachine hebt staan waar geen enkel bedrijf mee werkt.” “Je mag nu eenmaal”, zo benadrukt zij na een korte stilte, “best wel kritisch naar je eigen produkt kijken. Het is nooit weg om voor de opleidingen een kosten- baten analyse uit te voeren. Het centrum moet goed renderen. Ook in termen van geld omdat je toch een gezonde bedrijfsvoering moet hebben.” Tevel drukt zich in dat opzicht helderder uit: ” Wanneer een centrum twee jaar bezig is geweest om vijftig mensen aan het werk te helpen, dan mag je je afvragen in hoeverre zo’n centrum werkt.”

Overigens wijst hij iedere suggestie dat de Centra liever kiezen voor makkelijk plaatsbare cursisten resoluut van de hand. Ook zegt hij de stelling, dat de maatschappij zich moet neerleggen bij het feit dat een groep mensen nooit meer aan de bak zal komen, niet te onderschrijven. “Arbeidsvoorziening schrijft nooit iemand af. Na omscholing kan best een ouder iemand bij een bedrijf onder worden gebracht. Zeker wanneer zo’n bedrijf liever iemand met werkervaring heeft.”

Problemen

Mevrouw Buwalda is echter wat omzichtiger. Zij ziet duidelijk problemen bij een grote groep “mensen die al jarenlang buiten het arbeidsproces staan. Voor die mensen moet je een orientatie cursus opzetten waar ze weer arbeidsritme ke krijgen. Het kost veel tijd en energie om die mensen aan het werk te helpen. Maar”, zegt ze na een korte aarzeling, “je moet het wel blijven proberen. Per slot van rekening scholen we alle mensen die behoren tot de doelgroep van de Arbeidsvoorziening.”

Vijftig jaar centra vakopleiding. In de ogen van de directeur Friesland zullen de komende vijftig heel anders zijn dan de periode die nu achter de rug is. “Op het moment dat het Beroepsonderwijs in staat is hetzelfde werk te verrichten dat wij nu doen, hebben de centra vakopleiding geen bestaansrecht meer. Maar ik zie dat niet zo snel gebeuren. Wij zijn over het algemeen toch veel beter geoutilleerd dan het beroepsonderwijs. Daarbij komt nog dat de methodiek van individueel versneld onderwijs nog steeds perfect werkt.”

Samenwerking

Tevel ziet de toekomst liggen in een nauwere samenwerking met andere opleidingen. “De verschillende opleidingen zullen meer en beter op elkaar gaan en ook moeten aansluiten. Daarbij speelt enige uniformiteit een belangrijke rol. Het is dan ook niet voor niets dat de Stichting Bouwvakwerk en de Stichting Vakopleiding Schildersbedrijf hiervoor een convenant hebben afgesloten. We moeten namelijk niet uit het oog verliezen dat we moeten doen wat het beste is voor de werkzoekende. Zijn opleiding en aansluiting op de arbeidsmarkt moeten centraal staan…”

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels