nieuws

De langste rouwstoet aller tijden trok door de Meer

bouwbreed

Voorafgegaan door het Tamboerskorps van de Koninklijke Militaire Kapel trok onlangs een wonderlijke stoet door Watergraafsmeer. Die stoet was vierhonderd meter lang en bestond uit oude rouwkoetsen, lijkwagens en volgauto’s, bijeengebracht uit het gehele land. Hoogtepunt was een koets die door acht witte en acht zwarte paarden werd getrokken. Dit gebeurde vanwege het honderdjarig bestaan van de Nieuwe Ooster Begraafplaats (N.O.B.) aan de Kruislaan.

De oude Oosterbegraafplaats werd op 1 januari 1866 in gebruik genomen. Zij lag achter het tegenwoordige Koninklijk Instituut voor de tropen aan de Mauritskade. Ruimtegebrek noopte het stadsbestuur een nieuwe begraafplaats aan te leggen in de Watergraafsmeer.

Voor het ontwerp was in 1889 een besloten prijsvraag uitgeschreven waarvoor de tuinarchitecten H. Copijn uit Utrecht, L.A. Springer uit Hilversum, L.J. Ritter en de bekende firma Zocher uit Haarlem werden uitgenodigd. Het onder het motto ‘Stof’ ingediende ontwerp van L.A. Springer (1855-1940) werd bekroond. De aanleg en beplanting inclusief het bouwen van allerlei voorzieningen namen enige jaren in beslag en op 1 mei 1894 werd de begraafplaats in gebruik genomen.

Belangstelling voor onze begraafplaatsen is (nog) geen alledaagse zaak. Toch valt een toenemende interesse te constateren voor onze dodenakkers. Samen met bestaande gebouwen en geografische structuren vormen zij een wezenlijk onderdeel van onze cultuurhistorische erfenis en verdienen derhalve alle aandacht.

Toch blijkt in de praktijk van alledag dat velen maar weinig weten wat er op een begraafplaats te zien is. Het wordt al snel in verband gebracht met het vermeende macabere karakter van onze laatste rustplaats. Graftekens vormen echter een belangrijke bron voor historische informatie, maar verdienen ook anderzins onze aandacht.

De genealogische en heraldische betekenis zijn voor de een van belang, terwijl de ander graftekens tot onderwerp van studie maakt. Maar ook zij die zich bezig houden met de ontwikkeling van de tuinarchitectuur zullen al snel de begraafplaats ontdekken. Biologen benadrukken de functie van deze groene oases met hun verscheidenheid aan flora en fauna in het verstedelijkte grondgebied. Begraafplaatsen en graftekens zijn dus in meerdere opzichten interessant. Ook de monumentenzorg onderkent in toenemende mate het belang van dit cultuurbezit. In 1985 werd door de minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur bij alle colleges van Burgemeester en Wethouders aandacht gevraagd voor de cultuurhistorische waarden van kerkhoven en begraafplaatsen. Deze drong aan het dreigend verval te voorkomen.

Uitgaande van het kerend getij zijn er twee boeken over de N.O.B. samengesteld. Het eerste reeds besproken boek verscheen in 1993 en de auteur was Meindert Stokroos van Bureau Monumentenzorg. De titel van deze wandelgids over de begraafplaats deed enigszins vreemd aan: “In ’t nokkend wee der ziele welt een traan”, naar de eerste versregel van een gedicht dat Betsy Perk ooit maakte bij het graf van Jacques Perk op de Oude Oosterbegraafplaats. De begrijpelijke ondertitel luidt: “Oude graftekens op de Oosterbegraafplaats”, met 65 foto’s van Han van Gool.

Uiteraard komen er ‘topstukken’ in voor die uniek zijn (onder andere de grafkelder van Van Heutsz), maar ook voor minder in het oog vallende zaken wordt aandacht gevraagd. Kostte dit boek slechts – 17,50, duurder is de recente uitgave “Een plaats van Rust en Bezinning”, geschreven door Margriet de Roever en geillustreerd met prachtige foto’s van Theo Baart. Dit luxe, gebonden Jubileumboek (uitgegeven door Spruyt Van Mantgem en De Does is voor – 65 te koop en is voor belangstellenden een stijlvolle, blijvende herinnering aan de viering op 14 mei en een aanwinst voor allen die geinteresseerd zijn in dit stilte-, natuur- en cultuurgebied.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels