nieuws

N-Brabant wordt na 2000 aantrekkelijk voor zeezand

bouwbreed

Na het jaar 2000 zal er in Noord-Brabant een aantrekkelijke markt voor toepassing van zeezand voor ophoogdoeleinden ontstaan, omdat de mogelijkheden voor ontgronding op land in de provincie zullen afnemen.

Dit concludeert bureau De Meent BV te Boxtel, dat in opdracht van Gedeputeerde Staten een inventarisatie heeft gemaakt van knelpunten en mogelijkheden ter vergroting van de toepassing van zeezand in Noord-Brabant. De conclusies worden door GS onderschreven.

Momenteel wordt de totale behoefte aan ophoogzand in de provincie voor 9% gedekt door zeezand. Dat moet voor het jaar 2000 opgevoerd worden naar 20% en na de eeuwwisseling geleidelijk verder verhoogd worden tot uiteindelijk 80% in 2015. De Meent BV berekent dat voor de periode na 2000 jaarlijks 3,2 miljoen kubieke meter zeezand naar Noord-Brabant zal moeten worden aangevoerd. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in 20% van de behoefte aan ophoogzand zal worden voorzien door secundaire grondstoffen, landwinningen en uitvoering van werken (graven van kanalen, aanleg recreatiepoen etc.)

Ontzilting

De behoefte aan zeezand in de provincie kan volgens het onderzoek ruim gedekt worden: “Er is in de Noordzee voldoende voorraad voor een zeer lange periode.” Het chloridegehalte van zeezand belemmert nu nog echter de toepassing van zeezand. Niet-ontzilt zeezand mag in principe niet worden gebruikt. Ontzilting is dus noodzakelijk.

“Ontzilten door middel van droogpompen van het zand tijdens het transport op zee en het daarna spoelen met ‘zoet water’ in het overslagpunt is in verhouding tot de kosten het meest effectief gebleken.”

Maar de gangbare ontziltingsmethoden zijn volgens het bureau “vooralsnog onvoldoende om het zand volledig aan de huidige regelgeving te laten voldoen”. Gepleit wordt daarom onderzoek te doen naar verdere ontzilting van zeezand. De provincie Noord-Brabant moet betrokken worden bij het ontwikkelen van een landelijke norm.

Distributie

Wat betreft aanvoer van zeezand worden drie distributiemodellen aangegeven.

De eerste optie is een centraaldepot Moerdijk en van daar uit per as naar tien regionale dsitributiepunten in de provincie.

De tweede optie gaat uit van zes overslagdepots langs de grote vaarwateren en Brabantse kanalen en van daaruit per as naar de afnemers.

De derde optie gaat uit van tien overslagdepots aan de Brabantse rivieren en kanalen en van daaruit per as naar de afnemers.

Nader onderzoek moet uitwijzen welke oplossing de voorkeur verdient, mede gelet op de financiele consequenties in relatie tot de huidige kostprijs van zand uit landwinningen. Gekeken moet dan ook worden naar de huidige en toekomstige capaciteit van bestaande losplaatsen en milieu,- verkeerskundige- en planologische effecten.

Qua kostprijs komen volgens De Meent model 2 en model 3 gunstig naar voren.

Scheepstype

Er zijn schepen tot 1500 ton die in het bijzonder zijn ingericht voor het ontzilten en transport van zand. De schepen die de Brabantse kanalen ke bevaren zijn kleiner (tot 600 ton) en (nog) niet echt geschikt voor zandtransport: “Indien gekozen wordt voor distrubutiepunten aan Brabantse kanalen, zal er een studie gemaakt moeten worden naar een scheepstype dat qua ontzilting, laad- en lossysteem, meer geschikt is voor aanvoer van zeezand.”

Aanbevolen wordt om in het kader van die studie ook na te gaan in hoeverre er mogelijkheden zijn, om na aanvoer van zand, retourvrachten met bijvoorbeeld huisvuil naar de verbrandingsinstallatie op Moerdijk uit te voeren: “Hierdoor zouden de transportkosten aanzienlijk worden verlaagd.”

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels