nieuws

Fiscale maatregelen moeten 140000 banen opleveren

bouwbreed

Door het treffen van met name fiscale maatregelen voor werkenden moet het mogelijk zijn in vier jaar tijd 140000 banen in de laagstbetaalde segmenten van de arbeidsmarkt te realiseren. Daarbij is het uitgangspunt dat werken aantrekkelijker wordt gemaakt.

Dit concludeert de adviescommissie Laagste segment van de arbeidsmarkt’ in haar rapport De onderste baan boven’. Commissie-voorzitter prof. mr. F.H.J.J. Andriessen heeft het eindrapport gisteren aan minister Bert de Vries van sociale zaken en werkgelegenheid overhandigd. Tijdens de presentatie van het rapport uitte Andriessen zijn bezorgdheid over de toenemende werkloosheid binnen het segment van de laagstbetaalden. Een grote groep waar niet of nauwelijks beweging in zit. ”Slechts een op de tien nieuwe arbeidsplaatsen worden door een uitkeringstrekker ingenomen.” Volgens de adviescommissie ontbreekt het bij de laagstbetaalden aan voldoende prikkels om actiever naar een baan te zoeken. ”Een kostwinner die voor het minimumloon gaat werken, merkt dat hij er ten opzichte van zijn uitkering netto slechts f 20 per maand op vooruit gaat. Wie gaat werken levert voor dat bedrag maandelijks tweehonderd uur vrije tijd in.

Hij heeft bovendien extra kosten die ruim zeven procent oftewel f 160 per maand van zijn inkomen bedragen. En hij ervaart ongerief: hij moet op werkdagen vroeg uit de veren, het werk zelf is soms vuil en monotoon”, aldus de adviescommissie in de rapportage. Het moet voor niet-werkenden dus aantrekkelijker worden om een baan te accepteren. De commissie ziet daarvoor twee mogelijkheden in de fiscale sfeer. De eerste variant is een vaste belastingkorting voor iedere werknemer van f 200 per maand. Daardoor wordt vooral het werk voor laag en niet opgeleid personeel aantrekkelijker. De korting is immers voor iedereen gelijk, zodat het voordeel zich vooral vertaalt in laag betaalde functies. Als tweede mogelijkheid ziet de commissie invoering van een aftrekpost voor iedere werknemer van f 500 per maand. Voor een minimumloner betekent dat een stijging van het nettoloon met ongeveer f 200 per maand. De hogere inkomensgroepen gaan er met die variant ongeveer f 300 op vooruit. De bekostiging van beide varianten moet in de bevriezing van de uitkeringen en bezuinigingen worden gevonden. Een en ander heeft tot gevolg dat de koopkracht van iedereen die een inkomen van de overheid ontvangt dus uitkeringsgerechtigden en ambtenaren er de komende twee jaar met 2 e 2,5 procent op achteruit gaat. Ook andere inkomensgroepen zien hun koopkracht dalen.

Zorgelijk

De adviescommissie spreekt zich niet uit welke variant naar haar oordeel zou moeten worden ingevoerd. Wel stelt de commissie nadrukkelijk vast dat er iets moet gebeuren. Andriessen: ”De situatie die langzaam maar zeker ontstaat is uitermate zorgelijk. Dit jaar staan voor elke honderd werkenden 86 mensen met een uitkering. We zijn op weg naar 88 uitkeringstrekkers op honderd werkenden.

Dat is onaanvaardbaar en moet iets aan worden gedaan. Het gebouw van de verzorgingsstaat zoals we dat hebben opgebouwd kent een lange geschiedenis. We moeten de vertrouwde zekerheden op z’n minst ter discussie stellen en niet straks een half procentje meer of minder en de hoofdzaak laten liggen. Maar de wijze waarop dat gebeurt is een politieke keuze”, aldus Andriessen. whiche Vries liet over de inhoud van de rapportage slechts weten ”helder geformuleerd” te vinden en de zorgen van de commissie te delen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels