nieuws

Locatiebeleid overheid is een milieumaatregel

bouwbreed

Heel veel maatregelen uit het Bouwbesluit hangen samen met duurzaamheid, kwaliteit, veiligheid en dus met het milieu. Je moet niet al te knijperig zijn in wat je een milieumaatregel noemt. Goed locatiebeleid van de overheid kun je daar ook toe rekenen. Het gaat dan om een kleiner energieverbruik en om mensen daar te krijgen waar je ze hebben wil.

In het verlengde daarvan is de Vinex een echte milieumaatregel. Iets anders is de revitalisering van binnensteden. Die aanpak levert een duidelijke meerwaarde op wanneer je zo’n stadscentrum combineert met een knooppunt voor het openbare vervoer.

De Kop van Zuid in Rotterdam is volgens ir. C. Rijnboutt (*) een typisch voorbeeld van een volstrekt afgedragen stadsdeel dat een impuls nodig heeft. Naar de mening van de rijksbouwmeester geeft de overheid geeft die impuls door als eerste de sprong over de rivier te wagen en daar belangrijke rijksfuncties als de belastingen en de rechtbank te vestigen. Dat gebeurt dan nabij een metrobuis waar een station in en omheen wordt gebouwd. De rijksoverheid onderstreept daarmee de interesse in stedelijke vernieuwing en laat zien dat de betrokkenheid niet ophoudt met het geld voor de Erasmusbrug maar zich daadwerkelijk wil vestigen aan de overkant.

La Gare

Op wat kleinere schaal gebeurt volgens Rijnboutt iets dergelijks met La Gare in Den Bosch. Praktisch op het station komen daar het Hof en de rechtbank.Tegelijkertijd vergroot de efficientie van het rijksbedrijf. Want als de rechtbank en het Hof onder een dak komen kan men met een kantine toe wat weer een grote hoeveelheid energie bespaart. Op nog kleinere schaal vindt iets dergelijks plaats in Almelo. Het rijk breit soms ook een stuk aan bestaande rechtbanken. Desondanks verzeilt het gerecht nergens in de periferie. De overheid zoekt de kern van de bestaande steden op en verwerkt zo mogelijk daarin een aantal facetten van het rijkslocatiebeleid.

Bij het materialiseren van gebouwen gaat het volgens Rijnboutt in de eerste plaats om een principiele oplossing voor de hoeveelheid ruimte die ter beschikking komt. Over de manier waarop dat moet gebeuren is het rijksbeleid betrekkelijk ondubbelzinnig. De keus valt eerder op natuurlijke ventilatie dan op mechanische. Het rijk prefereert ook eerder een zware bouw met kleine ramen dan een licht gebouw met alleen maar glas.

Regels

Een koelinstallatie komt bij voorkeur buiten op het dak omdat plaatsing binnen het gebruik van allerlei schadelijke stoffen vereist. Op dat punt toont de overheid zich betrekkelijk directief. De regels schrijven echter niet voor met welke stenen moet worden gemetseld. De RGD evalueert en gebruikt wel het onderzoek naar materialen maar als een architect voor Middelburg of Groningen een rechtbank maakt dan mag hij volgens Rijnboutt zelf de stenen kiezen.

De architectuurnota en het stimuleringsfonds honoreerden in het afgelopen jaar een aantal milieupoen. Een van de speerpunten van dat fonds is de revitalisering van de stedebouwkundige discipline. Dat leidt tot betere besluiten over het gebruik van de ruimte op stedebouwkundig niveau. Het eerste wat moet gebeuren. Dat instrument wordt volgens Rijnboutt niet ingezet op een manier van ‘nou moet dat allemaal die kant op’. De toepassing is evenwel minder bedoeld als voorbeeld maar meer als aanjager.

Herbestemming

De overheid streeft ernaar dat gebouwen niet zonder meer worden gesloopt. Onderzoek moet uitwijzen of we er een nieuwe bestemming aan ke geven. Het gebouw van EZ is daar een voorbeeld van, net als het gebouw van de regiodirectie in Haarlem. Dat laatste is volgens Rijnboutt te meer een goed voorbeeld omdat het vlakbij het station staat waardoor dit po het hergebruik- en het locatiebeleid combineert.

Er zijn ook initiatieven voor wat duurzaam bouwen voor morgen heet of buitengewoon duurzaam bouwen. Te denken valt aan het Instituut voor Bosbouw en Natuuronderzoek in Wageningen waar vorig jaar een meervoudige opdracht voor kwam. Dit po heeft een bijzondere affiniteit met bouwen en milieu en dat biedt volgens Rijnboutt de mogelijkheid om allerlei experimenten op te nemen die niet op voorhand hoeven te lukken.

Verzamelkantoor

In Haarlem werkt het rijk aan een bijzonder eigen gebouw. Het gaat om een verzamelkantoor voor functies van VROM. Daarin gaat het om een samenhangende visie op de manier waarop ‘morgen’ wordt gewerkt. Dat betekent bijvoorbeeld dat er minder traditionele kamers zullen zijn. Er wordt rekening mee gehouden dat niet iedereen op hetzelfde moment een werkplek in dat gebouw heeft. Doelstelling is ook om te kijken of men met 80 procent van het genormeerde bedrag toekan. Het is volgens Rijnboutt niet zeker of dat lukt omdat het nog midden in het ontwerpproces zit. Een ander experiment is een satellietkantoor voor rijksambtenaren die voor kortere tijd in het oosten van het land moeten zijn.

Fundamenteel

Het rijk streeft naar compactere gebouwen die mede daardoor minder energie verbruiken. Dat zijn facetten van duurzaam bouwen die wat anders zijn dan wat doorgaans bij duurzaam bouwen aan de orde komt. Rijnboutt vindt dat er een veel fundamenteler component aanwezig moet zijn die voorkomt dat naderhand problemen moeten worden opgelost. Het gaat om principieel goed situeren, klimatiseren en liever kiezen voor iets minder. Dat alles moet bijvoorbeeld voorkomen dat aan een goed gesitueerd en bescheiden gebouw aluminium zit. Ofschoon dat metaal zich tegenwoordig weer beter laat hergebruiken blijft het volgens Rijnboutt een energie-intensief materiaal.

De architecten behoren volgens Rijnboutt het rijksmilieubeleid te kennen. De Nederlandse architecten en stedebouwers hebben nu al een zeer behoorlijk besef hoe om te gaan met ruimte en materialen. De architectuurnota hoort thuis in de rij van milieunota’s, net zoals die nota’s thuishoren in de rij van architectuur- en stedebouwnota’s. Dat komt heel expliciet samen in de RPD-nota’s. Het rijkshuisvestingsplan is volgens Rijnboutt typisch een plan dat een zorgvuldige omgang met de middelen en het milieu voorschrijft. Dat komt ook door het feit dat de huidige minister van VROM bij iedere stap de gevolgen voor het milieu meerekent. Nederland heeft een eindige hoeveelheid ruimte en energie. De overheid moet de architecten daarvan doordringen.

Projectontwikkelaars

In de gevallen dat poontwikkelaars rijksgebouwen realiseren volgt het rijk de gang van zaken door middel van prestatiespecificaties en programma’s van eisen. Mede daardoor neemt de RGD aan het eind een gebouw over dat geen enkele verrassing meer biedt. Zo’n po wordt volgens Rijnboutt in een aantal fasen gestuurd naar een uitvoeringsplan en een uitvoering. In ieder stadium wordt daar gecontroleerd of dat voldoet aan de spelregels. Zo nu en dan ontstaat het probleem dat een gebouw tijdens de ontwikkeling te duur wordt. In dergelijke situaties kiest de overheid en er dan voor de gebouwen wat kleiner te maken bekijkt of het ontwerp wat slimmer kan worden gemaakt.

(*) Ir. K. Rijnboutt spreekt op 15 maart op de beurs Bouw en Milieu in de Jaarbeurs Utrecht over milieuvriendelijke utiliteitsbouw. Deze bijeenkomst vindt plaats van 11.00 tot 16.00 uur. Aan de orde komen het stadhuis van Apeldoorn, de milieuvriendelijke buitenomgeving, de nieuwbouw van de Hogeschool in Den Bosch en de brandweerkazerne in Utrecht. Nadere inlichtingen verstrekt Rostra Congrescommunicatie via 070-3648703.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels