nieuws

Woningbouw plaatst provincies voor dilemma De stad versus Het platteland

bouwbreed

In Limburg neemt de maatschappelijke en politieke druk op het provinciaal woningbouwbeleid toe. Conform de Vinex-gedachte richt zich dat op ontwikkeling van grootschalige locaties in stedelijke gebieden, ofwel concentratiebeleid. De keerzijde van de medaille is een restrictief beleid voor de kernen in het landelijk gebied. Zij mogen nog slechts mondjesmaat woningen bouwen. Op het platteland zwelt het gemor daarover aan, wordt de roep om versoepeling van het als rigide ervaren beleid steeds luider. De onder zwaar vuur liggende depute Piet Hilhorst houdt, statenbreed gesteund, vast aan de uitgestippelde koers. Die steun verwacht hij vandaag opnieuw bij de vaststelling van het om-streden streekplan Noord- en Midden-Limburg. De stad versus het platteland. Het is een dilemma waar meer provincies mee worstelen.

Voor Hilhorst is het een uitgesproken principiele zaak: “Als we toestaan dat het landschap verder versteent, zullen de steden ontvolken. Dat is een onomkeerbaar proces. Ik weiger daaraan mee te werken.” Klare taal, waarin collega-bestuurders in de overige provincies zich zullen herkennen. Zij hebben namelijk een gemeenschappelijk probleem: de in verwaarloosde, verpauperde steden een impuls geven om ze de rol van economische en culturele motor in een regio te ke laten en blijven spelen. Daarvoor is voldoende draagvlak onontbeerlijk. En juist aan dat draagvlak schort het.

Hilhorst: “De steden hebben zich in het verleden te weinig gericht op de totale woningmarkt. Er werd wel veel gebouwd, maar vooral in de sociale sector. Dat ging ten koste van andere categorieen woningzoekenden.” Het geringe kwalitatieve woningaanbod in de steden resulteerde in een uittocht van mensen met een hoger inkomen naar plattelandskernen, die per definitie een veel aantrekkelijker wonen leefklimaat hebben: “En dat is geen specifiek Limburgs, maar een landelijk probleem.” Rijk en provincies doen sinds jaren pogingen die situatie te doorbreken. Door meer en vooral ook kwalitatieve woningbouw op aantrekkelijke locaties in en aansluitend op bestaand stedelijk gebied en tegelijk het aan banden leggen van de vaak ongebreidelde bouw in het landelijk gebied, hopen ze het tij te ke keren.

Ook Limburg hanteert al een aantal jaren een strikt ordenings beleid. “Maar juist op het moment, waarop dat eindelijk zijn vruchten begint af te werpen en er overal in de steden omvangrijke woningbouwpoen in de steigers staan (Roermond-Maasoevers, Venlo-Centrum Zuid, Maastricht-Ceramique, Sittard/Geleen-Middengebied, Heerlen-Centrumplan, Landgraaf-Parkheide) neemt de maatschappelijke en politieke druk toe. Vooral op het restrictieve deel van het beleid”, concludeert Hilhorst teleurgesteld. Een samenloop van omstandigheden is daaraan debet: “de discussie over het streekplan Noord- en Midden-Limburg en de volkshuisvestingsnota ‘Bouwen en Wonen’, alsmede uitzonderlijk conjuncturele omstandigheden op het gebied van rente, inflatie en bouw- en loonkosten. Dit laatste heeft tot gevolg dat veel mensen de welvaartsgroei willen verzilveren door het betrekken van een duurdere woning.”

Hilhorst durft in dat verband zonder enige aarzeling een gewaagde uitspraak aan: “Echte woningnood is er in Limburg niet. Er is behoefte aan woningen. De vraag is vooral een kwalitatieve. Veel mensen hebben al een dak boven het hoofd, maar willen gewoon beter gaan wonen. Het probleem is echter dat als gevolg van die conjuncturele omstandigheden bestaande woningen duurder zijn dan de nieuwbouw. En dat doet de druk toenemen om meer te bouwen.”

Het platteland heeft daarbij nog altijd een aanzuigende werking vanwege de meer aantrekkelijke verkaveling (“volop ruimte, gewoon even het prikkeldraard om het weiland verschuiven”), relatief lage grondprijs, gemakkelijke procedures, ontbreken van bodemverontreiniging etc. Bovendien kent Limburg als geen andere provincie het verschijnsel van zelfbouw. De steden hebben daarom een zwakkere concurrentiepositie in het krachtenspel op de woningmarkt. “Verstedelijking slaagt alleen als de nieuwbouw op het platteland in de hand wordt gehouden”, concludeert Hilhorst dan ook. Elke provincie kent daartoe een bepaalde systematiek. In Limburg wordt voor spreiding van de nieuwbouw gewerkt met richtcijfers, die berekend worden met toepassing van een korting van 15% van de geraamde uitbreidingsbehoefte van lokale kernen.

Die korting wordt toegevoegd aan de stedelijke taakstelling. “Maar in de praktijk wordt aldus hooguit 5% van de totale woningbehoefte van de kernen in het landelijk gebied gebruikt voor versterking van de steden. Niet alle kernen buiten de steden hoeven namelijk daaraan bij te dragen. En door flexibiliteit in het systeem is niet altijd sprake van overheveling van 15%”, aldus Hilhorst.

De provincie Noord-Brabant, die al wat langer een restrictief beleid voor landelijk gebied voert, hanteert groeiklassecijfers. Landelijke kernen hebben in die provincie de mogelijk heid gekregen om binnen het totaal voor hen beschikbare bouwvolume onderling met aantallen te bouwen woningen te schuiven. Limburg heeft tot nu toe altijd stringent vastgehouden aan de eenmaal vastgestelde richtcijfers. Het platteland ervaart dat als rigide, te detaillistisch, een keurslijf. Aangedrongen wordt op meer soepelheid. Hilhorst is niet ongenegen het Brabantse voorbeeld te volgen.

Hij heeft daartoe inmiddels voorstellen ontwikkeld: “In het kader van regionalisering van het volkshuisvestingsbeleid wordt samenwerkende gemeenten de ruimte geboden een alternatieve verdeling te ontwerpen. Voorwaarde is en blijft echter wel dat het randtotaal voor de kernen in het buitengebied daarbij gelijk blijft.” Hij benadrukt dat een alternatieve verdeling zowel een binnen gemeentelijke herschikking van de woningbouw over de kernen kan zijn, als een intergemeentelijke.

Elk alternatief zal door GS getoetst worden aan de doelstelling van het streekplan. Aan de korting van 15% valt voor Hilhorst niet te tornen. Die overheveling is en blijft noodzakelijk. In elk geval nog zeker een decennium. Hij verwacht namelijk dat na het jaar 2005 de uitbreidingsbehoefte sterk zal dalen. “De komende tien jaar bieden waarschijnlijk de laatste kans om met behulp van overheveling het draagvlak van de steden te versterken en de steden, met behulp van prive-investeringen in de woningbouw, te herstructureren. Zonder de 15%-korting zouden majeure poen als Venlo-Centrum Zuid en Roermond-Maasoever op de helling komen te staan”, betoogt hij.

De korting heeft bovendien “het voordeel van de kaasschaafmethode, namelijk een zekere verdelende rechtvaardigheid”. Wat hem pijn doet is de “verkeerde, oneerlijke voorstelling van zaken” die de tegenstanders van zijn beleid zouden geven. “Het beeld wordt opgehangen dat in het landelijk gebied helemaal niets meer gebouwd zou mogen worden. Maar dat is onzin. In Noord- en Midden-Limburg wordt 85% van de natuurlijke woningbehoefte nog toegestaan, in Zuid-Limburg nog iets meer. We hebben flink overhoop gelegen met het rijk, omdat we in het Heuvelland toch nog teveel woningen zouden hebben toegestaan in het buitengebied”, verklaart hij.

Inbreiden.

Dat wordt voor het landelijk gebied het toverwoord. Maar als zich in een lokale kern onverhoopt, bijvoorbeeld door een bedrijfsverplaatsing, een locatie aandient voor woningbouw is dat nog geen garantie dat er woningen gebouwd mogen worden: “Ook inbreiden moet passen binnen het beleid, met verstand gebeuren. Zolang je als provincie wil sturen, moet je ook wel eens gezaghebbend nee ke zeggen.” Van het door het platteland aangevoerde argument dat woningbouw noodzakelijk is om leefbaarheidsproblemen te voorkomen danwel te bestrijden, is Hilhorst niet onder de indruk: “Dat zelfde argument speelt ook en wellicht zelfs sterker in de steden en kan dus met evenveel, zo niet meer recht worden aangevoerd als motief voor het concentratiebeleid.”

Steden zitten met verpauperde vooroorlogse wijken en veel gestapelde hoogbouw in naoorlogse wijken. Daarbij komen criminaliteit, drugsoverlast etc. “Een van de middelen om de steden te helpen is een consequent restrictief beleid daarbuiten. Zo wordt de sociale drainage van de stad beperkt, de financiele positie versterkt en de woningbehoefte voor de stedelijke woningmarkt behouden.”

Hilhorst laat niet na op te merken dat “de grote meerderheid van de plattelandsbevolking woont in grote en suburbane regionale kernen waar absoluut geen sprake is van leefbaarheidsproblemen. Vooral de plaatsen met 7000 a 8000 inwoners zijn de afgelopen jaren sterk gegroeid. Veel sterker dan de steden. Die kernen hebben daardoor een bepaald voorzieningenniveau bereikt en willen nu verdere schaalvergroting. Dat is onwenselijk, want dat gaat ten koste van de steden.” Echte waakzaamheid is volgens hem geboden voor de perifeer gelegen kleine kernen: “Hun leefbaarheidsproblemen los je niet op met een paar extra woningen, maar door ze meer te laten samenwerken op gebied van voorzieningen. Je kunt je afvragen of elk dorpje wel zo nodig een eigen sportcomplex, school en bibliotheek moet en kan hebben.”

Afschaffing van de 15%-korting lost niets op. “Het zou betekenen dat de 145 Limburgse plattelandskernen gemiddeld ruim een woning per jaar meer zouden mogen bouwen. Dat neemt het gekerm in het landelijk gebied echt niet weg. Maar het brengt de taakstelling van de steden in gevaar. Die mogen dan namelijk een paar duizend woningen minder bouwen”, aldus Hilhorst. Veel kernen klagen hun nood vanwege de schrikbarende aantallen woningzoekenden: “Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat veel wachtlijsten sterk opgeklopt zijn en dat heel wat mensen die daarop vermeld staan zich rot zouden schrikken als ze morgen een woning kregen aangeboden. Meer woningbouw toestaan in het landelijk gebied op basis van gegevens die absoluut geen representatief beeld vormen van de feitelijke woningbehoefte, is de achterdeur uit. Verdere verstening van het platteland is het begin van ontstedelijking.”

De kritiek op het restrictieve beleid vond vooral de laatste jaren gretig voeding in het feit dat de steden hun opgelegde woningbouwtaakstellingen niet waarmaakten. Tot en met 1993 daalde de woningvoorraad in de gezamenlijke Limburgse steden. Maar 1994 luidde een trendbreuk in. De groei van de woningvoorraad in de stedelijke gemeenten zal dit jaar weer het hogeniveau van 1990 bereiken. Ten opzichte van vorig jaar is de groei van de voorraad in de steden 40%. En verwacht wordt dat dit herstel zich in 1995 zal voortzetten. Hilhorst geeft aan dat, gelet op dit gegeven, er alle belang is het ingezette woningbouwbeleid met kracht te continueren. Ook al omdat het volgens hem “evident is te veronderstellen dat juist het restrictief beleid voor het platteland een cruciale rol gespeeld heeft bij het herstel van de woningbouw in de steden”.

Mocht het woningbouwbeleid mislukken, doordat er te weinig of te langzaam Vinex-gelden beschikbaar komen, dan zal de provincie niet op hangende pootjes naar het landelijk gebied gaan: “De stap naar het platteland is altijd een kort-door-de-bocht oplossing. Als de overheden die het verstedelijkingsbeleid prediken er niet in slagen dit ook daadwerkelijk gestalte te geven, dreigt er gebouwd te worden op minder geschikte locaties. En dat is onherstelbaar. Vandaar dat wij in het streekplan – als reserve – alternatieve locaties achter de hand houden voor het geval de steden hun taakstellingen niet waarmaken. Ook voor het ontwikkelen van die alternatieven geldt echter dat de concentratiegedachte de leidraad zal zijn.”

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels