nieuws

Offerte in bestek

bouwbreed Premium

Door leveranciers van bepaalde onderdelen van een gebouw worden vaak door hen ontworpen constructies aan aannemers aangeboden. De ontwerpers van zulke systemen zijn over het algemeen veel deskundiger op dat gebied dan de aannemer die deze constructies moet toepassen. Maar een blind vertrouwen in deze aanbiedingen mag de aannemer niet hebben. En ook de architect niet, die zo’n constructie in het door hem geschreven bestek opneemt.

Dat het erg riskant kan zijn om blindelings erop te vertrouwen, dat een aangeboden systeem geschikt is om in een bouwpo te worden toegepast, is onlangs weer eens gebleken bij de bouw van een tennishallen-complex. Dat complex werd in augustus 1986 opgeleverd, maar na een aantal jaren openbaarde zich condensvorming in de dakconstructie.

Het ontwerp daarvan was door de aannemer aan zijn opdrachtgever aanbevolen want het voldeed aan zijn wens om het complex van een stalen dak te voorzien. Hij ging zelfs zo ver, dat hij aan de architect een offerte gaf van de leverancier van het geisoleerde stalen dak, dat hij al eerder in vergelijkbare poen had toegepast.

In de schetstekeningen voor de tennishallen nam de architect op basis van die offerte de vermelding op, dat het dak zou bestaan uit “geisoleerde staalplaat (geprofileerd)”. Op grond van die schetstekeningen werd door een tweetal staalleveranciers een gespecificeerde offerte uitgebracht voor een dergelijke dakconstructie. Uit die twee offertes werd de constructie gekozen waarmee de aannemer die het hallencomplex moest bouwen al ervaring had opgedaan.

Of dat nu de doorslag heeft gegeven voor die keuze of dat de architect na bestudering van beide offertes tot de conclusie is gekomen dat de al eerder aanbevolen constructie diende te worden toegepast, is niet duidelijk in het vonnis van de Raad van Arbitrage. De Raad werd namelijk door de opdrachtgever ingeschakeld toen bleek dat het dak diende te worden vervangen als het niet afdoende kon worden hersteld. De kosten daarvan zouden bijna f.220.000 bedragen en daarbovenop claimde de opdrachtgever nog eens de kosten van vervanging en herstel van die zaken die door het water waren aangetast en van het jarenlang droog moeten maken van de tennisbanen.

De vochtontwikkeling deed zich niet alleen voor op de spanten ter plaatse van de scheidingsmuren met de kantine, maar ook op de houten spanten langs de kopgevels. Het Bureau Dakadvies was tot de conclusie gekomen dat dit het gevolg was van de inwendige condensatie van het dubbelwandige stalen dak, omdat dit bouwfysisch onjuist was geconstrueerd. Omdat er geen verschil van mening was over het feit, dat het werk was uitgevoerd conform de tekeningen en het bestek zoals die door de architect waren gemaakt, kon de aannemer niet aansprakelijk zijn voor de schade. Hij had immers geen fouten gemaakt bij de uitvoering van het werk. De invloed die de aannemer had uitgeoefend op de keuze voor deze dakconstructie was ook geen reden om hem aansprakelijk te houden, want formeel was deze constructie hem door de opdrachtgever voorgeschreven in het bestek.

Een verkeerd voorstel, zoals de aannemer had gedaan, maakt hem nog niet aansprakelijk, zo besliste de Raad. Dat de architect in het bestek bij de omschrijving van de constructie voor het dak letterlijk de offerte van de leverancier overnam, maakte dat niet anders. Dat deed hij immers in volle vrijheid en door dat te doen, bracht hij het risico voor mogelijke fouten in die constructie bij zijn opdrachtgever, was de overweging van de arbiters.

Maar had de aannemer, die toch had beweerd ervaring met deze constructie te hebben, daarover niet zoveel deskundigheid in huis dat hij zijn opdrachtgever diende te waarschuwen voor de toepassing ervan bij tennishallen? Daaraan wordt in het vonnis geen enkele aandacht besteed; misschien komt dat door het feit, dat de opdrachtgever dat niet uitdrukkelijk aanvoerde in de procedure. Toch neemt dat niet weg, dat een arbitraal college zo’n overweging dient mee te nemen bij zijn, op billijkheid gebaseerde, beslissing.

De totale claim van de opdrachtgever, die een bedrag van meer dan drie ton bedroeg, werd dus afgewezen. Dat betekent niet, dat hij met die schade volledig hoeft te blijven zitten. Omdat de bouw plaatsvond voordat de SR 1988 gold is de mogelijkheid om zijn schade te verhalen op zijn architect maar heel beperkt.

In de AR 1983 werd de aansprakelijkheid van de architect immers beperkt tot de schade, die het rechtstreeks gevolg was van een ernstige fout en zelfs dan nog maar tot de helft van zijn honorarium. Onder de nieuwe Standaardvoorwaarden van 1988 is dat bedrag opgetrokken tot f.150.000 of – als het honorarium hoger is – tot het bedrag daarvan. Bovendien is het vereiste van een “ernstige fout” afgezwakt tot een “verwijtbare fout”. Een verhaalsactie tegen zijn architect zou dus zelfs onder die regeling niet een volledige schadeloossstelling hebben opgeleverd.

Restte hem dan nog een vordering tegen de fabrikant van de dubbele dakconstructie? Daarbij komt met name de vraag aan de orde of de fabrikant van het dak schuld had aan het feit, dat de toepassing van zijn constructie op dit hallen-po, schade veroorzaakte. Ook hier gold immers, dat de nieuwe wettelijke regeling over de produkten-aansprakelijkheid nog niet in werking was getreden toen dit tenniscomplex werd gebouwd. Die, sinds 1 januari 1992 in ons Burgerlijk Wetboek opgenomen, regeling legt op de producent een risico-aansprakelijkheid als een door hem in het verkeer gebracht produkt een gebrek bevat en daardoor schade toebrengt. Maar dat is een onderwerp, dat een afzonderlijke bespreking verdient.

(B.R. 1994 p. 792)

Reageer op dit artikel