nieuws

‘Sociaal en Cultureel rapport te pessimistisch over toekomst volkshuisvesting’ Tommel doet niet aan doemdenken

bouwbreed

Maakt het Sociaal en Cultureel Planbureau in zijn Rapport 1994 zich schuldig aan doemdenken of is de behoorlijk pessimistische toekomstvisie op de volkshuisvesting juist een bewijs van goed inschattingsvermogen? Dat was de vraag die centraal stond op een symposium van het NCIV in Rotterdam. Staatssecretaris Tommel bleek het in ieder geval met veel stellingen uit het rapport oneens. Volgens hem worden “wel zeer vergaande conclusies” getrokken. En prof.dr.ir. J. van der Schaar was dat roerend met hem eens.

Velen zullen het zich nog wel herinneren, dat uiterst sombere hoofdstuk in het rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) over de toekomst van de volkshuisvesting. Op vijftig pagina’s werden alle bedreigingen van en toekomstige problemen voor de sector op een rij gezet, zowel voor de korte als voor de lange termijn.

Van te grote woningbehoefte, te geringe bouwproduktie, locatieproblemen, stijgende rente, instortende woningmarkt, verdere aantasting van de individuele huursubsidie en grote aanpassingsproblemen van corporaties en lagere overheden met de nieuwe ordening tot voortdurende ruimtelijke problemen, failliete corporaties, gettovorming en segregatie: pessimisme is troef, en de problemen zullen zo groot zijn dat de partijen het zonder het rijk niet ke oplossen. Bovendien zullen de grenzen van de verzelfstandigde volkshuisvesting weer wat scherper moeten worden afgebakend.

Hartgrondig oneens

Staatssecretaris Tommel is het met veel van wat het SCP voorspelt hartgrondig oneens. De constatering dat het rijk zich vergaand heeft teruggetrokken van de woningmarkt, en alleen nog daar in beeld is, waar grootschalige uitbreidingen aan de orde zijn, is voor de bewindsman een stap te ver. “De rijksoverheid blijft niet alleen een duidelijke binding houden met de kwantiteit van de woningvoorraad , maar ook met de betaalbaarheid en de kwaliteit.”

Waarna Tommel de vele zegeningen van de sector telde: een relatief grote betaalbare woningvoorraad, een goed lopende stadsvernieuwing, een forse bouwproduktie in de vrije sector, wat de doorstroming ten goede komt, en de aanstaande bouw van 15.000 sociale woningen extra. De betaalbaarheid van de huisvesting is voorts gewaarborgd door een goed werkend stelsel van huursubsidie, en met de Vinex-contracten komt het wel goed, zo concludeerde de bewindsman op basis van de laatste gespreksronde.

Hij wees zijn gehoor er ook op dat de volkshuisvesting nauwlettend wordt gevolgd. “Ik zie dat als een van mijn belangrijkste taken. Ik wil de nieuwe ordening ruimte en tijd geven om zich te bewijzen. Ik zal de ontwikkeling conscientieus monitoren en mijn conclusies trekken uit de opgedane ervaringen. De nieuwe ordening wil uiteindelijk verankeren in een nieuwe ordeningswet.”

Vertrouwen

De staatssecretaris gaf verder blijk van een groot vertrouwen in de sector.

“De verzelfstandiging is gebaseerd op het vertrouwen in professionaliteit en taakopvatting van de corporaties. Van de sociale huursector mag worden verwacht dat zij die verantwoordelijkheid waarmaakt, dat zij op eigen benen kan staan, dat zij ook zonder verregaande overheidsbemoeienis haar sociale taken op financieel verantwoorde wijze kan waarmaken.”

Een volkshuisvester uit Tilburg toonde zich hierover uiterst sceptisch. “De heer Tommel heeft al eerder blijk gegeven van een blijmoedig optimisme. Wij danken hem ook voor het getoonde vertrouwen, maar de vraag is volgens mij eerder: ke wij Tommel vertrouwen?” De bewindsman liet zich echter niet verleiden tot een reactie. “Over een jaar of vier zal blijken of ik het vertrouwen waard ben geweest.”

Weinig nieuws

Vervolgens kwam prof. Van der Schaar aan het woord. Voor hem viel in het SCP-rapport maar weinig nieuws te bespeuren. Het is “een heel aardig en leesbaar essay over de volkshuisvesting”, dat echter tegelijkertijd niet of nauwelijks nieuw materiaal of nieuwe inzichten aan heeft weten te dragen, zo meende hij. “Al met al vind ik het SCP-rapport in zijn argumentatie te veel op risico’s gericht, te globaal, niet scherp genoeg en onvoldoende basis voor herijking van beleid.” Van der Schaar vindt sowieso dat herijking en bijstelling van het beleid niet nodig is. Dit, omdat er geen beter alternatief is. De invoering van het huidige volkshuisvestingsbeleid is volgens hem onvermijdelijk en wenselijk geweest. “De risico’s bij het uitblijven van dat beleid weeg ik veel zwaarder.”

Dat wil niet zeggen dat er geen kritiek mogelijk is. Het toezicht op corporaties bijvoorbeeld is verre van ideaal geregeld en valt eenvoudig te omzeilen. Dat moet dan ook worden gecentraliseerd en verzelfstandigd in een publiek orgaan.

Vinex-beleid

Maar belangrijker is het dreigende mislukken van het Vinex-beleid, door een tezeer gedecentraliseerd en geliberaliseerd investeringsbeleid, gekoppeld aan een ambitieus ruimtelijk beleid. “Het rijk heeft partijen bekwaam uit elkaar gespeeld”, zo analyseerde Van der Schaar. “De nadruk op onderhandelingen en convenanten brengt een papieren wereld, waar maar weinigen echt in geloven.

De lange duur van de onderhandelingen is eigenlijk een groot schandaal en is een beleidsmatig risico op zich geworden. Want enerzijds neemt de druk om meer locaties tot ontwikkeling te brengen of om het restrictief beleid los te laten toe, waardoor de financiele onderbouwing van de grondexploitatie door schaarstewinsten vervalt. Anderzijds dreigt rond 2000 een zeer groot aanbod van woningen, met ongunstiger afzetcondities als risico. Investeerders in woningbouw hebben dan belang bij temporisering van de produktie. Ik ben dan ook niet helemaal gerust op een beleidsconforme realisatie van Vinex en ik vrees vrij hoge woningtekorten in en nabij de grote steden voor een langere periode.”

Meer vingers in de pap

Op dit vlak moet de rijksoverheid weer meer vingers in de pap krijgen. “In een zo complexe bestuurlijke context als het RO-beleid is een sturende en initierende rol van de rijksoverheid bij woningbouwinvesteringen onvermijdelijk. De ruimtelijke inrichting vind ik bovendien typisch een rijksverantwoordelijkheid, waarbij het rijk de financiele risico’s van haar beleid – ook in de uitvoering – moet dragen. Blijft het rijk op de achtergrond dan vrees ik dat de ordening binnen de volkshuisvestingssector onder druk komt.”

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels