nieuws

Werk Egon Eiermann in Berlijns perspectief

bouwbreed

In de Akademie der Kunste terzijde van de Hansaviertel in Berlijn is een kleine tentoonstelling gewijd aan het vroegste werk van architect Egon Eiermann (1904-1970). Beschouwingen en kritieken plaatsen echter het

latere werk van Eiermann in de naoorlogse ontwikkeling van de moderne architectuur.

Een signalement.

Egon Eiermann werd een legende in de recente Duitse architectuurgeschiedenis. Een van zijn eerste naoorlogse werken, waarmee hij bekendheid over de hele wereld verwierf, was het Duitse paviljoen op de wereldtentoonstelling in Brussel. In het park stond een interessant Nederlands paviljoen van Rietveld, waar Van der Broek en Bakema en anderen aan meewerkten, dat ons waterrijke land presenteerde. Philips realiseerde er het experimentele paviljoen van Le Corbusier, uitgevoerd in beton. Rusland en de Verenigde Staten waren met monumentale paviljoens vertegenwoordigd.

Als jongste tekenaar op een architectenbureau hoorde ik van oudere VBO-studenten dat je het Duitse paviljoen van Egon Eiermann en Sep Ruf goed moest bekijken. Dat deed ik toen zo volgzaam, dat ik me de verder aldaar voorhanden spectakelarchitectuur nauwelijks meer herinner. Het was m’n eerste kennismaking met Eiermanns oeuvre, dat naar het me nu voorkomt schoolmakend is geweest in de Bondsrepubliek.

Fraai gesitueerd tussen de bomen lag een paviljoen dat opgebouwd was uit verschillende min of meer vierkante bouwvolumen in vrije groepering tussen het groen. De glasgevels van het twee bouwlagen tellende complex waren van helder glas, van vloer tot daklijst. IJl gedetailleerde galerijen van staal en beton verbonden de exporuimten: een modern sprookje. Zo’n opzet heeft Eiermann in veel latere kantoorgebouwen gepraktiseerd. Zijn gevels van beton en staal kregen een transparant web van rondlopende galerijen als zeembalkons en secundaire vluchtroute met geintegreerde zonwering. Maar vanuit de vaak torenhoge kantoorruimten vormden dat geometrisch strenge web een overgang naar de stedelijke ruimte rond het gebouw, als een omlijsting van de perspectief naar de weidse ruimte buiten.

In 1975 was ik in de gelukkige omstandigheid het kantoorgebouw te bezoeken dat na Eiermanns overlijden in een buitenwijk met kantoren van Frankfurt am Main voor Olivetti is gerealiseerd.

Als paddenstoelen verheffen kantoorgebouwen zich boven algemene ruimten in de laagbouw, op gesloten kernen van beton met het verticale transport. De onderste kantoorverdieping is ogenschijnlijk uit die stijve kern uitgekraagd. En de gevels waren opnieuw royaal beglaasd en rondom van zo’n karakteristiek web voorzien, plaatselijk met een noodtrappehuis er voor.

Je idealiseert die architectuur van zulke voorbeeldige gebouwen.

In Duitse kritieken herkende ik dat, terecht omdat de architectonische kwaliteit er tot in de hemel lijkt te groeien. Nu houden historici het Brusselse paviljoen uit 1958 tegen het licht van de jongere geschiedenis van de moderne bouwkunst. Het transparante paviljoen in Brussel zien zij enerzijds in zeg maar de traditie van het Barcelona-paviljoen van Ludwig Mies van der Rohe uit 1929.

Anderzijds zien zij er een functionalistisch ontwerp in de trant van het Nieuwe Bouwen in, dat door de Nazi’s als ontaarde architectuur werd gekenschetst; maar ook het tegendeel van de zware monumentale macht symboliserende ontwerpen van Albert Speer en consorte. De naoorlogse Bondsrepubliek toonde een open blik naar binnen en naar buiten in het paviljoen. Daarin nam Eiermann de draad van het Nieuwe Bouwen weer op, met gebruik van de toenmalige hedendaagse bouwtechniek, die voorbeeldig is geweest.

Indertijd waren de reacties op het Brusselse paviljoen vanuit het buitenland veel positiever als in Duitsland zelf. Maar in de kringen van architecten won het ontwerp snel aan waardering. Het opnieuw tonen van de mogelijkheden van eigentijds bouwen werd onderkend.

De latere werken van Eiermann, waarvan het complex voor olivetti zo spraakmakend was, heeft generaties Duitse architecten sterk beinvloed, al haalde men zeker niet altijd de architectonische kwaliteit van het voorbeeldige oeuvre. Grundlichkeit en DIN-normen waren vaak oorzaken van minder ver doorgevoerde architectonische kwaliteit, veelal gemakkelijker te maken met minder krachtsinspanning, zowel voor het ontwerp als in de bouwstadium.

Aan het eind van de jaren zeventig, begin jaren tachtig, was de discussie over postmoderne architectuur in Duitsland uiterst fel. De ‘nieuwe monumentaliteit’ werd vergeleken met de architectuurproduktie van de Nazi’s, notabene rond bijvoorbeeld het ontwerp van de Britse architect James Stirling voor de Neue Staatsgalerie in Stuttgart. Toekenning van de eerste prijs betekende voor protagonisten van het Nieuwe Bouwen een terugkeer naar het monumentale en schaalloze bouwen van de jaren dertig. Toch moet het bewust voortborduren op werk van ondermeer Eiermann er toe geleid hebben dat ook in Duitsland het postmodernisme een betrekkelijk kort leven leidde, al leverde het in z’n soort enkele hoogtepunten op, dat wel.

Zo lijkt het werk van Eiermann inmiddels een wezenlijk onderdeel te vormen in de Duitse bouwkunst van de laatste vijftig jaar. Toen collega’s de gladde dozen voor kantoren en dergelijke ontdekten, zocht Eiermann naar een minder dogmatisch vervolg op het Nieuwe Bouwen van voor de oorlog. Vergelijkt men de met aandacht gedetailleerde gevels van Eiermann met de uit de hand gelopen gladde spiegelende glasgevels of in ons land met de twee ministeriele torens voor Binnenlandse Zaken en Justitie in Den Haag, dan ontbreekt de verfijnde detaillering. Het leidde uiteindelijk tot de bijna lachwekkende vormwil voor het ministerie van Buitenlandse Zaken terzijde van Babylon en het Centraal Station.

In Duitsland lukte het zelden beter en bleven de voorbeelden van Eiermann op eenzame hoogte staan. Terecht dat men er ter gelegenheid van de 90 jaar geleden geboren ontwerper nog eens aandacht voor vraagt, al staat het latere werk kennelijk meer in de belangstelling dan het geexposeerde vroege werk. En ook bij Eiermann was het niet elke dag zondag: het gebouw voor de parlementariers in Bonn, de ‘Lange Eugen’, toonde al wat minder architectonische kwaliteit, maar functioneerde wellicht beter dan menige gladde kantoortoren.

De tentoonstelling met vroeg werk van Egon Eiermann is nog tot 13 november te zien in de expositieruimte van de Akademie der Kunste in Berlijn, terzijde van het Hansaviertel, Hanseatenweg 10.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels