nieuws

‘Beelden aan zee’ om paviljoen Von Wied

bouwbreed Premium

In Scheveningen is onlangs een nieuwe museum geopend naar het ontwerp van architect W.G. Quist. Het gebouw trekt de aandacht door de poging tot inpassing rond een neo-klassiek paviljoen op een hoog duin aan de Boulevard. Ondanks de goede bedoelingen waren de verwachtingen toch hoger gesteld: de unieke locatie en architectenkeuze deden verwachtingen hoog oplopen, kennelijk te hoog.

In Scheveningen heeft men sedert de jaren zestig alles in het werk gesteld om de historie zorgvuldig te wissen. De grand hotels verdwenen uit de gevelwand aan de Noordzee, evenals een aantal verwante gebouwen. Pas toen het Kurhaus gevaar liep te verdwijnen, eiste de bevolking inspraak en behoud. De bijna volledige afbraak – op de Kurzaal na – werd verguld met gewijzigde herbouw. Uiteindelijk bleef alleen het paviljoen Von Wied gespaard, met het duin er omheen. Ondanks vroegere bedreiging met flankerende bebouwing heeft men nu een redelijk alternatief gevonden.

Omwonenden is het zelden naar de zin te maken en daar hebben ze wel eens gelijk in. Scheveningers klagen over het veranderd uitzicht: rondom het paviljoen een muur van beton en deels uitzicht op een glasdak in plaats van het duin. Wanneer de interessante details deze omwonenden ontgaat, dan wordt ook zo’n met zorg vormgegeven, maar wel geheel blinde muur, geen verbetering.

Intussen kreeg het classicistische paviljoen, in gebruik bij de herensocieteit De Witte, een restauratiebeurt als tegenwicht ten opzichte van het zichtbare ongerief.

Architect Wim Quist kreeg opdracht van een particulier er een museum voor beelden te bouwen. Daartoe werd het duin deels afgegraven. Aan de noordzijde van het paviljoen werd een grote expositieruimte gebouwd met aansluitende accommodaties zoals entree, koffieruimte, bibliotheek en dergelijke. Aan de zeezijde loopt de bebouwing door naar in het duin uitgegraven beeldenterrassen aan de zuidzijde. Na deze bebouwing is het duin weer in grote lijnen hersteld, wat opgehoogd langs de straat met een meer dan manshoge betonnen keerwand voor het daarboven keurig ingeplante duin.

De zorgvuldig gedetailleerde betonnen keermuur, met langs de randen enkele verdikkingen met sponningen en een strak verlichtingsarmatuur bij iedere voeg, is een voorbeeld van een ‘architectenspraak’ waar bevooroordeelde anti-betonlobby’s geen brood in zien. Het wederzijde onbegrip is tragisch, nauwelijks uit te roeien en ook moeilijk weg te nemen, zelfs niet met andere materialen. De ingang als onderbreking van de muur is bescheiden, ruimtelijk niet oninteressant, maar wel weer voor de gevorderde architectuurtoerist.

Via de terughoudend ontworpen entree komt men in de hal met doorzicht naar een ruime beeldenzaal. Boven de kolomvrije ruimte, met de plattegrond van een kwart cirkel, is een glasdak aangebracht. Men is binnen, maar het transparante glasdak geeft een getrouwe daglichtconditie die door lichte wanden wordt opgewaardeerd.

Een interessante ruimte, maar moeilijk bruikbaar voor een grote verzameling zelden echt interessante beelden. Dat is de ellende van rijk geworden hard werkende directieleden die hun kunstcollectie dan zo nodig in een museum onder moeten brengen, omdat bestaande musea geen garanties voor permanente bezichtiging ke geven, zo ze al ruimte hebben om zoveel beelden van uiteenlopende kwaliteit eenvoudig op te bergen.

De zaal staat veel te vol, en de relatief kleine afmetingen van de beelden maakten tussenwanden nodig die makkelijkte verplaatsen zijn. Het werden zeg maar gordijnen van een wit weefsel, ietwat transparant. Ze hangen vrij in de ruimte aan dakbalken en jagen je de stuipen op het lijf als er bijna een beeld in je armen valt omdat een jonge bezoeker de stabiliteit van de wand anders inschatte.

Het gebouw vormt een heel aangename ruimtelijke afwisseling van verschillende patio’s met glaswanden, waar buiten ook weer beelden staan, over het algemeen minder dicht op elkaar en daardoor beter tot hun recht komend.

Maar de detaillering is grof. Na een recent bezoek aan het Kroller-Muller Museum van Quist, dat hier en daar met budgettaire terughoudendheid is gebouwd, ontbreekt de overtuiging om de Scheveningse collectie op museaal niveau vorm te geven. Het mist eenvoudig overtuiging, al was het grondconcept uitstekend. Glaspuien zijn grof van indeling en detaillering, lattenplafonds die plaatselijk de staalconstructie aanvullen zijn houterig. Het is de tragiek van de harde architectuur van Quist, die heel hoge eisen stelt aan de uitwerking.

Alleen de tweede helft van het museum, met in niveau hoger oplopende buitenterrassen is met overtuiging uitgewerkt. De ruimte is er bevrijdend, en met wat oogkleppen op hoeft men nauwelijks iets van de patatcultuur er om heen, ook qua architectuur, waar te nemen. Dat de pier inmiddels volledig wordt verknoeid waardoor de architectonische kwaliteit van Maaskant, Van der Berg en Apon wordt verwoest, kan men Quist vanaf zijn mooiste terras niet aanrekenen. Architectonisch is de locatie, plaatselijk met uitzicht op zee over de boulevard heen, verrassend. Het is Scheveningen op z’n best met een cultuurniveau dat wordt begrenst door de smaak van een particulier die beelden verzamelt.

Daarmee kregen Scheveningen en Den Haag een museum waar ze volgens de initiatiefnemers heel blij moeten zijn, omdat het de gemeenschap niets kost. Maar met het Amstelveense museum Van de Togt en talrijke regionale dan wel particuliere verzamelingen voegen ze weinig meer dan middelmaat toe aan ons museaal bestand. Dat is teleurstellend voor zo’n prachtige maar moeilijke locatie. Bij de Dienst Ruimtelijke en Economische Ontwikkeling van de gemeente Den Haag verscheen een aflevering van de Vom-reeks onder de titel ‘Een koninklijk paviljoen en een museum aan zee’ dat vooral de geschiedenis en restauratie van het paviljoen documenteert. De prijs bedraagt – 25,00.

De met zorg gedetailleerde muur rond het duin met een opening terzijde voor de hoofdingang van met museum.

Deel van de beeldenzaal van het museum met lichte ‘tussenwanden’ van een weefsel dat aan de dakbalken is opgehangen.

Doorkijkje vanuit de beeldenzaal via een patio, de daarachter gelegen Zeezaal met daarna het begin van de buitenterrassen.

Beeldenterrassen met uitzicht op zee en de verkommerde pier met steeds verder verlorengaande architectonische kwaliteit.

Reageer op dit artikel