nieuws

Confrontatie in Nimes tussen Romeins en ultramodern

bouwbreed Premium

Het Provenciaalse stadje Nimes geniet in de geschiedenis van de bouwkunst bekendheid om enkele bewaard gebleven monumenten uit de periode van de Romeinen, zeg maar daterend van rond het begin van de jaartelling. In het hart van de stad treft men een bijna puntgaaf bewaard gebleven tempeltje, het Maison Carre aan. Pal er tegenover realiseerde sir Norman Foster zijn Carre d’Art, een ontmoetingscentrum voor kunst. Maar ook een confrontatie van toparchitectuur met 2000 jaar leeftijdsverschil…

Tot voor een jaar of tien stond het Romeinse Maison Carre keurig opgebaard op een stukje plein met een hekje er om heen, waar auto’s rond geparkeerd stonden. Er tegenover stond een gebouw in neo-stijl als respectvol aangepaste bouwkunst van rond de laatste eeuwwisseling.

Het is al weer geruime tijd terug dat een internationale prijsvraag werd uitgeschreven voor zeg maar een klein Centre Pompidou als laat-twintig eeuwse tegenhanger van het Maison Carre. De Britse sterarchitect Sir Norman Foster won de prijsvraag, met een gebouw dat volstrekt hedendaags is vormgegeven, maar ook met bescheiden terughoudendheid en sporen van inspiratie waarin het Maison zich weerspiegelt.

Het klinkt in het Frans als een sprookje: Carre d’Art Musee d’art contemporain. De eerste reactie ter plekke is er een van een schokkende confrontatie. Maar gelijktijdig realiseert men zich dat er een nieuw monument aan het stadsbeeld is toegevoegd. Sir Norman, zoals de Engelsen zeggen, lijkt er in Nimes een hedendaagse tempel tegenover gezet te hebben, nu gewijd aan eigentijdse kunst. Voor het meer dan overspannen programma van eisen werden enkele verdiepingen ondergronds gesitueerd met ruimten voor verschillende media. Zo treft men er een bibliotheek met studieruimten aan en verwante documentatiecentra. Deze zijn via hoge vides van enkele bouwlagen ruimtelijk verbonden met een centrale hal, die een opvallend groot ruimtelijk aandeel in de plattegrond toegemeten kreeg.

Op de begane grond is een boekwinkel de belangrijkste publieke ruimte terzijde van de hal. Liften en een brede trap leiden naar de eerste verdieping met een rondom langs de gevels een opeenvolgende reeks van expositieruimten.

Bovenaan de trap zitten enkele museumbeambten aan een tafel om de toegangskaartjes te verkopen. Alleen deze museumverdieping was dit voorjaar – tegen gereduceerd tarief – toegankelijk met een opstelling van hedendaagse kunst. In betere tijden treft men een verdieping hoger een aantal zalen voor wisselende exposities aan. Maar het restaurant op dakverdieping was wel open, en dat vergoedelijkte veel. Als teken van respect ten opzichte van Maison Carre, en als bron van inspiratie, gaf Foster zijn gebouw een pronaos, oftewel een portiek, met vijf slanke kolommen die het uitkragende dak steunen. Bij Romeinse tempels volgde men de Griekse voorgangers, maar legde men de vloer in plaats van enkele treden aanzienlijk hoger, zodat de voorgevel over de volle breedte een korte trap kreeg. Foster legde de hoofdverdieping eveneens hoger en voegde een trap toe.

Met het minimalisme van een Mies van der Rohe werd de met natuursteen beklede trap vormgegeven, maar iets minder streng en zeker uitnodigend om er op zonnige dagen een verblijfsruimte van te maken voor vermoeide van de tempel genietende toeristen. Het vormt een overgang tussen straat en hal die in zijn eenvoudige vorm noodt tot een korte tijd verwijlen in dit bijna klassieke portiek.

Zo’n bijna tot verwijlen provocerende ruimte van het ‘tussen’ is in dit klimaat een weldaad. Maar het roept ook reminisentie op aan de periode van de Nederlandse Forumgroep, die opriep tot het bouwen van ‘plekken’ als overgang tussen binnen en buiten.

Die gedachte heeft Foster op markante wijze gerealiseerd. Niet alleen voelt de aspirant bezoeker zich in dit minimalistische portiek al bij wijze van spreken door het gebouw omarmt en verwelkomt. Hoog onder het dak heeft het museumrestaurant een flink terras, waar de bezoekers een drankje genieten of wat eten. En vluchtiger bezoekers leunen er even over de transparante balustrade om het Romeine tempeltje ‘in vogelvlucht’ te overzien.

Die voorgevel is vrijwel geheel beglaasd, voorzien van jalouzien, vormt een totaliteit op het basement met natuursteen beklede trappen. De gevel lijkt een glazen schrijn, hier opgesteld om die globaal 2000-jarige overbuurman vanaf elk punt te genieten, vanuit museale ruimten, maar evenzeer vanaf de trap of het terras. Foster had het monument niet meer eer ke bewijzen.

Maar als men zich binnen het gebouw los kan maken van het wisselend uitzicht op het Maison, dan heeft het Carre d’Art minder te tonen.

Natuurlijk is de hal in zijn royale ruimtelijke gebaar interessant, ook als centrale ruimte met vides naar de onderbouw, glazen liftschachten en -kooien en opnieuw met gebruik van veel glas, ondermeer voor de traptreden. Maar de ruimtelijke kwaliteit beperkt zich tot de optelsom van functies die echte inspiratie zoals in de voorgevel vrijwel mist. En over die museale ruimten op de eerste verdieping is weinig positiefs te zeggen. De geprefabriceerde betonkolommen staan wat lomp achter die slank gedetailleerde staalconstructie van de voorbouw een licht-naief geloof in logisch materiaalgebruik te demonstreren, echter zonder overtuiging.

En in de kelders met publieksruimten voor leeszalen en dergelijke is de situatie ook niet verheffend tussen omringende kelderwanden, ondanks de vides naar enkele bovengrondse lagen.

In zijn totaliteit is Carre d’Art dan een matig meesterwerk. De idee die ten grondslag lag aan het eerbewijs naar het Romeinse Maison Carre, heeft het interieur met overmaat van functies afbreuk gedaan. En behoudens die voorgevel moet men van de overige gevelarchitectuur ook geen al te hoge verwachtingen koesteren.

Daarmee overtuigt alleen de prachtige voorbouw van Carre d’Art, hetgeen nog wordt geaccentueerd door de royale opknapbeurt van de stedelijke ruimte. Nimes is daar in het centrum niet kinderachtig mee bezig. Het gehele plein is geplaveid met natuursteen, met zeer designbewust straatmeubilair dat beide monumenten tot hun recht doet komen. Dat moet men ter plaatse ervaren hebben, ondanks de kritiek oproepende interieurs.

Reageer op dit artikel