nieuws

Dubbele bouwverzekering

bouwbreed Premium

Als twee verzekeringen hetzelfde belang voor dezelfde tijd en tegen dezelfde risico`s dekken, is er sprake van een dubbele verzekering als die twee tenminste samen een hoger bedrag belopen als het verzekerde object waard is. De wet laat die situatie niet toe: de later gesloten verzekering is dan ongeldig, zodat de latere verzekeraar van zijn betalingsplicht ontheven is.

Het kan voorkomen dat een opdrachtgever het voor hem in aanbouw zijnde gebouw verzekert en dat de aannemer zijn risico voor schade aan datzelfde werk ook nog eens dekt. Doet hij dat door middel van een C(onstruction) A(ll) R(isks)-polis, waardoor alle betrokkenen bij het werk als verzekerden gelden, dan kan sprake zijn van een meervoudige of dubbele verzekering.

Als die laatst gesloten verzekering buiten medeweten van de belanghebbende is gedaan verklaart de wet haar nietig. Op die bepaling beriep zich de verzekeraar, die met een aannemer een CAR-verzekering had gesloten terwijl de opdrachtgever van het werk daarvoor een brandverzekering had gesloten voor het hotel, dat voor hem gerenoveerd en uitgebreid moest worden.

Een dag nadat de nieuwbouw gedeeltelijk was opgeleverd, maar voordat met de renovatie van het al bestaande hotel was begonnen brak brand uit, waardoor een miljoenenschade ontstond. De schade aan het nog te renoveren hotelgedeelte werd door de brandverzekeraar van de opdrachtgever vlot vergoed en de CAR-verzekeraar betaalde de schade aan het nog niet opgeleverde gedeelte van de uitbreiding.

Maar over de vraag wie de schade aan het opgeleverde gedeelte van de nieuwbouw moest vergoeden werden de beide verzekeraars het niet eens. Die beliep bijna twee miljoen gulden en dat was voor de CAR-verzekeraar meer dan genoeg voor een poging om met een beroep op de dubbele verzekeringsbepaling in de wet onder zijn betalingsplicht uit te komen.

Voor het uit drie juristen bestaande scheidsgerecht beriep hij zich op de bepaling in de Bijzondere Voorwaarden van de CAR-polis, dat de beperkte dekking voor de onderhoudstermijn onmiddellijk van kracht werd zodra een onderdeel van het werk tussentijds werd opgeleverd.

Nu had de brandverzekeraar de vordering, die zijn verzekerde had op de CAR-verzekeraar gekocht voor hetzelfde bedrag, waarop de schade aan het opgeleverde nieuwe gedeelte was vastgesteld. Daardoor was de hoteleigenaar dus volledig betaald en was de brandassuradeur door middel van cessie eigenaar geworden van die vordering.

Hij eiste daarom van zijn CAR-collega dat bedrag terug. Daarbij gaf hij een heel andere uitleg aan de bepaling in de Algemene Voorwaarden van de CAR-polis. In alle redelijkheid diende die zo te worden uitgelegd, dat de volle basisdekking ook voor de tussentijds opgeleverde onderdelen van het werk zou blijven bestaan en dat de beperkte onderhoudsdekking pas zou ingaan op het moment dat het laatste onderdeel van het werk zou worden opgeleverd.

Een heel wezenlijk verschil over de betekenis van een toch in goed Nederlands gestelde polisvoorwaarde!

De arbiters konden deze voorwaarde echter niet anders lezen dan dat de volle dekking ook voor tussentijds opgeleverde onderdelen van het werk bleef bestaan; de beperkte dekking ging naar hun oordeel pas in bij de oplevering van het laatste onderdeel van het werk. Dat klopte ook met de bepaling op het voorblad van de polis: daar stond namelijk dat de verzekering geschiedde voor de gehele bouwtermijn.

Het belangrijkste argument van de CAR-verzekeraar was natuurlijk wel, dat de wet de verzekering nietig verklaart, die zonder last en buiten medeweten van de verzekerde is gesloten als tenminste de belanghebbende het risico zelf ook heeft verzekerd. Die bepaling leek hier inderdaad van toepassing. Maar daar was in de polisvoorwaarden van afgeweken door met zoveel woorden de CAR-dekking een primair karakter te geven, terwijl de brandverzekering een subsidiair karakter had. De strijdvraag was nu of het bepaalde in de wet opzij kon worden gezet door een contractuele bepaling.

De CAR-verzekeraar vond van niet, want dat scheelde hem dan twee miljoen. Jammer voor hem, maar de arbiters beslisten dat die bewuste wetsbepaling wel terzijde gesteld kan worden door een uitdrukkelijk afwijkende bepaling in de polis. Door zo’n bepaling wordt immers hetzelfde bereikt als de wetgever wilde met zijn wetsbepaling: voorkomen dat er sprake is van een dubbele verzekering.

Dat doet de wet zelf ook op een andere manier dan door de verzekering, die zonder medeweten van de belanghebbende gedaan is, nietig te verklaren. In de gewone situatie dat er twee verzekeringen te goeder trouw zijn gesloten, geldt immers de tweede niet als de eerste al een dekking voor de volle waarde geeft.

In het Nieuw Burgerlijk Wetboek wordt dat probleem van de dubbele verzekering straks anders opgelost. Als dezelfde schade door meer dan een verzekering gedekt wordt mag de verzekerde zelf kiezen welke van zijn verzekeraars hij voor vergoeding van zijn schade aanspreekt. De beide verzekeraars moeten dan onderling met elkaar verrekenen om tot een evenredige verdeling van hun bepalingsplicht te komen. Een even simpele als goede oplossing van de vraag hoe de wetgever de ongewenste situatie, dat een verzekerde meer vergoed krijgt dan zijn schade, moet voorkomen.

(BR 1994 p. 438)

Reageer op dit artikel