nieuws

Aanleg van drainagenet moet verzilting in Pakistan tegengaan

bouwbreed Premium

De aanleg van een ruim 7000 kilometer lang drainagenet moet de landbouwgrond op de linkeroever van de Indus in Pakistan voor verdere verzilting behoeden. Dit po begon in 1982 en zal als gevolg van vertragingen in elk geval nog tot 2000 duren. De kosten liepen van de begrote f. 500 miljoen inmiddels op tot om en nabij f. 2 miljard.

Vooralsnog bestaat er geen enkele zekerheid over het succes dat de aanpak teweeg moet brengen. Temeer omdat Pakistaanse instellingen naar verwacht ing niet in staat zullen zijn de infrastructuur te verzorgen. En omdat de merendeels arme boeren naar verluidt de benodigde gelden niet bijeen ke brengen.

De pakweg 7000 kilometer drainagevoorzieningen bestaan voor tweederde uit kleine bevloeiingskanalen. Die krijgen hun water uit het bestaande kanalenstelsel dat de irrigatie in de regio Sukkur regelt. De bouw van zo’n 5000 sluizen moet de stroming en daarmee de hoeveelheid water in de bestaande kanalen vergroten.

Voorts wordt in ruim 2500 bronnen brak water weggepompt. Het zoutgehalte is dusdanig hoog dat de pompen niet langer dan acht jaar meegaan. Niemand weet nog wie de rekening voor de vervangende pompen zal betalen. Hetzelfde geldt voor de jaarlijkse rekening van ruim f. 20 miljoen voor de elektriciteit die de pompen verbruiken.

Wereldbank

Het po ‘Left Bank Outfall Drain’ dat de verzilting moet tegenhouden begon in 1982 als een consortium van Groot-Brittannie, Canada en Zwitserland dat onder leiding staat van de Wereldbank. Het project biedt inmiddels werk aan meer dan 16000 mensen. Volgens de oorspronkelijke begroting zou de realisatie zo’n f. 570 miljoen kosten. De oplevering moest in 1993 plaats vinden.

De huidige rekening laat een bedrag van om en nabij f. 2 miljard zien, waarbij de prognose de oplevering in 2000 laat gebeuren. Of dat inderdaad lukt staat vooralsnog te bezien. Momenteel is nog niet meer dan een derde van de voorgenomen werken gereed. Ongeveer de helft van de kleine bevloeiingskanalen is gegraven.

Stuwdam

De verzilting die het po van de Wereldbank probeert te bestrijden ontstond nadat de Britten in 1932 ten zuiden van Sukkur een stuwdam in de Indus bouwden. Het verzamelde water vloeide in zeven kanalen. Eerder realiseerden de Britten met succes een soortgelijk po in de bovenloop van de Indus. De werken voorzagen de landbouw van water en voorkwamen dat de Indus buiten de oevers kon treden.

Het kanaal Nara doorsneed de woestijn en vertakte zich oostelijk van Hyderabad in een groot aantal kleinere kanalen en veranderde de zandvlakte in een oase. De Britse ingenieurs hielden evenwel geen rekening met de afwatering. Ze gingen ervan uit dat het water in de woestijnbodem zou zakken en zagen om die reden af van de aanleg van afwateringskanalen.

Onder de bodem van de woestijn Thar ligt zout grondwater, een overblijfsel uit de tijd dat de Indische Oceaan nog over de vlakte stroomde. De toevoer van irrigatiewater liet dit grondwater binnen enkele decennia tot vlak onder het maaiveld stijgen. In driekwart van het gebied ligt het grondwater nauwelijks een meter onder de oppervlakte.

In de verzadigde bodem vindt geen doorspoeling meer plaats waardoor mineralen zich ke afzetten en een ondoordringbare laag vormen. Als gevolg daarvan kan een eenvoudige onweersbui al een overstroming veroorzaken. Het stijgende grondwater voert doorlopend zouten naar boven die de bodem nog verder afsluiten.

In de regio Sind versterken de natuurlijke omstandigheden dit effect nog. Bij een laag debiet stroomt het water uitermate langzaam door de kanalen. De zon laat zo’n 40 procent van dit water in damp opgaan. Het zoutgehalte neemt daardoor toe en verzilt als gevolg daarvan de akkers.

Het zoutgehalte van de grond is van nature hoog. Nog op ruim 300 kilometer van de kust worden in en op het land grote hoeveelheden schelpen gevonden die de Indische Oceaan in vroegere tijdperken achterliet. Deze samenloop van ongunstige factoren zorgt er in de districten Sanghar en Mirpurkhas voor dat de zoutconcentratie van het grondwater ruim 150 maal hoger ligt dan dat van het zeewater.

Opbrengsten slinken

De organisatie van Pakistans openbare bestuur en bijbehorende instellingen doet bij velen het vermoeden rijzen dat het land er niet in zal slagen het po van de Wereldbank te onderhouden. Temeer niet omdat ongeveer de helft van de boerenbevolking in de regio Sind niet op eigen land werkt.

De landarbeiders en pachters ontvangen hun beloning in de vorm van een aandeel in de oogst. De opbrengt daarvan wordt steeds kleiner omdat de verzilting meer en meer land ongeschikt maakt voor akkerbouw. Daardoor dalen de inkomsten en dus ook de middelen voor bevloeiingswater. Vorig jaar verhoogde de regering de waterbelasting met 25 procent. De opbrengst van deze maatregel dekt evenwel bij lange na niet de kosten die met de watervoorziening zijn gemoeid. De staat moet het dertigvoudige van de inkomsten uitgeven aan de watertoevoer.

Teruglopende oogstopbrengsten dwingt de pachters en de landarbeiders ertoe geld te lenen bij de landeigenaren. Aan een volledige terugbetaling valt nauwelijks te denken omdat bijvoorbeeld de watertoevoer steeds grotere investeringen vereist die de boeren bij de eigenaren van de grond moeten lenen.

Alom wordt de staat gezien als meest geschikte organisatie om de vicieuze cirkel te doorbreken met het verbeteren van landbouwtechnieken, het verdelen van zaaigoed en (kunst)mest en met kredieten voor de boeren. De ambtelijke diensten in Hyderabad en Karachi tonen naar verluidt vooralsnog echter weinig belangstelling voor deze problemen.

Reageer op dit artikel