nieuws

IVA vreemde eend in bijt architectuuronderwijs

bouwbreed Premium

Het in Utrecht gevestigde Instituut Voor Architectuur (IVA) f. opgericht vanuit de indertijd ‘afvallige’ Nederlandse Architectenverenigingf. is altijd een vreemde eend in de bijt van het reguliere architectuuronderwijs geweest. En dat blijft het IVA ook, afgaande op het onlangs gevierde vijfde lustrum en het bij die gelegenheid gepresenteerde boekje ‘IVA 1968-1993’.

Het IVA is f. in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Academies van Bouwkunstf. niet afhankelijk van overheidssubsidies, maar ‘leeft’ van het enthousiasme van actieve vrijwilligers, waarop al jaren als docent of als bestuurder een beroep wordt gedaan. Met een jaarbudget van een ton, voornamelijk, opgebracht door de studenten, blijkt het IVA meer te zijn dan een houtje-touwtje instituut. Het succes van deze ontwerpers-opleiding wordt vooral bepaald door de afgestudeerden, die – en dat is onderzocht – ogenblikkelijk als architect aan de slag ke. Wettelijke erkenning is er sinds enkele jaren ook, want het IVA-diploma is erkend, mede op recommendatie van de Visitatiecommissie Bouwkunde-onderwijs onder voorzitterschap van mr. M.D. van Wolferen. Het IVA heeft dan ook een plaats gekregen in de Wet op de Architectentitel. Van de afgestudeerden hebben zich tot nu toe tweehonderd laten inschrijven in het register.

Pioniers

Uit ‘IVA 196-1993′ komt de pioniersmentaliteit van de oprichters en inspiratoren, vooral uit de NAV-hoek, goed naar voren. Die geest blijkt ongebroken, want nog steeds blijkt die op de praktijk gestoelde opleiding van zo’n zes-en-een-half jaar voor afgestudeerde hts-ers, die in de architectuur werkzaam zijn, een laatste kans op erkenning. Of zoals het ‘mission statement’ zegt: “De stichting IVA tracht een nieuwe vorm en inhoud te geven aan de mentale en ideologische opstelling van de architect in de huidige maatschappij.

Daarom wordt grote nadruk gelegd op de zelfwerkzaamheid. Het IVA tracht daarbij zodanig te inspireren en te stimuleren, dat tussen de studenten, de gevestigde architecten en beoefenaars van andere disciplines een gedachtenuitwisseling ontstaat.”

De opleiding is ondanks alles schools; strenge toelatingscriteria leiden tot een geringe aanname van nieuwe studenten. Zo’n vijftien per jaar is dan ook zo’n beetje het maximaal organisatorisch haalbare voor het IVA dat bijvoorbeeld een professioneel secretariaat ontbeert. Maar de studenten zijn enthousiast: “Op het IVA kun je nog gewoon zeseneenhalf jaar plezier hebben in architectuur”, aldus een van hen.

Ook nu de NAV is opgegaan in de BNA is het voortbestaan van het IVA in ieder geval op korte termijn gegarandeerd. Een NAV-fonds ‘Stichting Architectuur te Utrecht’ zorgt daarvoor.

En ook de samenwerking met de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht geeft een wat steviger fundament. Toch zal het IVA het moeilijk krijgen in de kwalitatieve concurrentieslag met de Academies van Bouwkunst en de opleidingen in Delft en Eindhoven. Dat brengt nu eenmaal het lot van de zelfgekozen geisoleerde positie met zich mee. Maar het heeft natuurlijk wel wat…

IVA 1968-1993; 25 jaar architectuuronderwijs, onder redactie van Klaartje Koenraad, IVA, Utrecht 1994.

Reageer op dit artikel