nieuws

Problematiek hergebruik monumenten beschreven

bouwbreed Premium

Als eerste deel van een nieuwe CRM-reeks verscheen ‘Monumentale gebouwen herbestemd’ van de hand van Tessel Polman van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Aan de hand van achttien voorbeelden wordt een kritisch beeld gegeven van de problematiek bij het hergebruik van grote complexen.

Vaak blijkt hergebruik een belangrijke voorwaarde voor subsidiering als het om monumenten gaat. In de gevallen dat het niet om ingeschreven monumenten gaat, blijft er soms weinig over van de bestaande gebouwen. In dat opzicht is het boek van Polman vaak licht onthutsend.

Kritisch signalement

Wellicht houdt dat ten nauwste verband met de selectie van de achttien voorbeelden uit de Nederlandse bouwpraktijk. Het oordeel mag terecht hard uitvallen voor de bebouwing op het waterleidingterrein in Rotterdam, het Ceramiqueterrein in Maastricht of Slachthuisterrein in Den Haag; het zijn voorbeelden waarbij het hergebruik slechts incidentele onderdelen van het oorspronkelijke gebouwenbestand betreft. En dan nog kan de unieke schoorsteen in Maastricht het loodje leggen zodat uiteindelijk slechts een ingrijpend verbouwde hal overblijft.

Al meteen wordt inleidend met de deur in huis gevallen. In de eerste alinea van het boek wordt vastgesteld dat behoud van gebouwen bijna altijd winst betekent, maar dat herbestemming toch niet overal een succes werd. Vooral de gemeenten moeten zich vooraf realiseren wat in ieder geval bewaard moet worden en daar vervolgens ‘ferm de hand aan houden’. Daarvoor is gedegen onderzoek van de gebouwen nodig terwijl ook financieel een helder beeld moet bestaan.

Vaak blijkt het grondbedrijf van de gemeente een enthousiast sloper om zo hoog mogelijke grondkosten te ke berekenen, maar ook projectontwikkelaars en woningbouwverenigingen zijn daarmee vertrouwd. Omdat de procedures vaak lang duren, treedt verval in en wordt het steeds moeilijker het uitgestippelde beleid te verwezenlijken. De Rotterdamse lieveling van menige stadsbestuurder, het Drinkwaterleidingterrein, noemt Polman een voorbeeld waarin herbestemming mooi leek, maar in de praktijk een moeizaam leefbaar geheel opleverde. “De grote ruimten van de waterbassins die gehandhaafd zijn, zijn esthetisch wel fraai, maar maken het terrein zo open dat het geheel als woonterrein iets onwerkelijks heeft.”

Bij herbestemming blijft er vaak weinig van de interieurs over door nieuwe indelingen en eisen van bijvoorbeeld de brandweer.

Stedebouwkundig

“Voor het ontwerpen van nieuwe bebouwing op leeggekomen terreinen wordt steeds vaker een reeks van veelal zeer prominente architecten aangetrokken. De idee erachter is dat het terrein een staalkaart van nieuwere architectuur moet worden. Het Slachthuisterrein in Den Haag, het AZU-terrein in Utrecht zijn hiervan voorbeelden. Ook de bebouwing van het Ceramiqueterrein in Maastricht wordt gekenmerkt door grote variatie van architecten die er gaan bouwen. Stedebouwkundig zien we bij al deze poen zelden iets dat echt bewondering oproept. Dat is jammer, want uit stedebouwkundig oogpunt heeft Nederland lang voorop gelopen. Het lijkt erop dat niet overal de overheid een vaste greep op de stedebouwkundige opzet heeft: veel wordt uitbesteed. Als projectontwikkelaars en woningbouwverenigingen daarbij een stevige stem in het kapittel hebben, leiden het stedebouwkundig ontwerp en de beschikbaarheid en inrichting van de publieke ruimte daar soms zeer onder.”

In dat opzicht is het een goede zaak dat er een meer kritische uitgave het daglicht zag. Wel zijn de voorbeelden soms heel ruim geinterpreteerd. Het Maastrichtse voorbeeld komt uiterst moeizaam van de grond en verloor veel van zijn aanvankelijke glans. Maar het hergebruik is zo beperkt, dat het nauwelijks past in een boek met de titel ‘Monumentale gebouwen herbestemd’. Vaak staat het stedebouwkundige resultaat meer op de voorgrond.

De beschrijvingen van de poen zijn beknopt, geven een indruk van het ontstaan, de opvattingen over nieuw gebruik en de wijze waarop dat (vaak tendele) is bereikt. Enkele kritische vragen ronden ieder hoofdstuk af, waarna de lezer zelf een antwoord kan formuleren.

Interessant blijkt vaak de vraag in hoeverre Polman een persoonlijke indruk weergeeft dan wel de mening van de rijksdienst verwoordt.

Tessel Polman: ‘Monumentale gebouwen herbestemd-restauratie, transformatie en hergebruik van grote complexen’. Deel 1 CRM-reeks. Uitgave: Sdu- Uitgeverij Koninginnegracht, Den Haag 1994. Formaat: 17 x 24 cm, 124 blz. ISBN: 90 12 08060 6. Prijs: (ingenaaid) f. 39,50.

Reageer op dit artikel