nieuws

Een toren tussen andere kantoren

bouwbreed Premium

‘Relatie of ik schiet’ was de titel van een artikel dat architectuurcriticus J.J. Vriend ooit publiceerde in de Groene Amsterdammer bij de opening van Hertzbergers hoofdkantoor van Centraal Beheer in Apeldoorn. Het kantoorgebouw dat morgen in Groningen wordt geopend, blijkt onder een verwant motto ontworpen. In de Nederlandse architectuur heeft het gebouw al een plaats op de lijst van gebouwen gekregen, die men eigenlijk gezien moet hebben.

Centraal Beheer en het ING-hoofdkantoor in Amsterdam-Zuidoost zijn gebouwen die men gezien moet hebben, ook van binnen. In iets mindere mate geldt dat voor het hoofdkantoor van KPMG in Amstelveen en het ministerie van Sociale Zaken in Den Haag.

De Gasunie heeft geruime tijd voor de opening al zo’n uitstraling; grotere kantoren van Nationale Nederlanden in Den Haag en Rotterdam, het ministerie van VROM of menig kantoorcomplex voor de verhuur bezocht ik niet of slechts vanwege een nieuwsfeit.

Aardig is de vraag, waarom dit gebouw nu juist die uitstraling heeft. Waarin onderscheidt het ontwerp zich van torenarchitectuur en van ander werk van Ton Alberts en Max van Huut?

Kantoortorens

Nog recentelijk zijn we geconfronteerd met het oeuvre van Frank Lloyd Wright, waarin enkele opmerkelijke torenontwerpen voorkomen, tot een mijl hoog, en in lagere versies voor woongebouwen. Die torens werden organisch genoemd, terecht in de vloeiende opbouw met driehoekig slanker wordende bouwvolumen.

De Gasunie heeft daar een vrije vormgeving mee gemeen. Die is voor torens tamelijk uniek, al gaat het hier om maar 87 meterhoogte. Opmerkelijk na de glazige periode van spiegelgevels is de bekleding met een buitenspouw van baksteen. Maar in het Haagse centrum mogen we binnenkort torens tegemoet zien van Cesar Pelli en Michael Graves die met kleurige baksteen zijn afgewerkt, terwijl Rob Krier zich daar wellicht bij aansluit. Dat wordt een pikant Haags hoekje. In de Verenigde Staten is dat overigens niet nieuw; daar bouwde men in de jaren tachtig al torens van een Philip Johnson en collega’s met een ter plaatse gemetseld buitenspouwblad van baksteen. Met name de matige hal in Johnsons gebouw kwam nog al deprimerend op me over, al mag men de stedelijke verdichting rond Wall Street niet met de Groningse parkrand vergelijken.

Maar het komt me voor, dat de toren uit de koker van Ton Alberts internationaal uniek genoemd mag worden. Natuurlijk kwamen er eerder spectaculaire torens voor die varieren van piramidale tot gebogen en/of geperforeerde vormwil. Maar Alberts moet men toegeven, heeft van neo-organische vormwil wel in functioneel opzicht gekneed en ruimtelijk aanvaardbaar gemaakt. Kom daar vandaag de dag maar eens om. Het summum was enkele jaren geleden de buitenlift, individueel gestookt om een aanvaardbaar kooiklimaat te garanderen; zulke malligheid kan je de Gasunie niet aandoen, want ze zouden die op-en-neer flitsende kooien niet eens gasgestookt uit ke verwarmen.

Bij veel internationaal ontworpen torens kan je discuseren over functie en vorm, hier is de functie in een vorm geboetseerd.

Ton Alberts oeuvre

In het werk architect Ton Alberts treft men een gestage groei aan, die zijn werk uniek maakt in de Nederlandse architectuur. Er zijn ontwikkelingslijnen aan te wijzen die na zo’n dertig jaar culmineren in recente kantoorcomplexen als ING in Amsterdam-Zuidoost, KPMG in Amstelveen, Castellum in Leidschendam, de Gasunie en daartussen ook wat klonen.

Voor het ING-hoofdkantoor vond Alberts een reeks piramidale torenvormen, waarvan de configuratie aan de Forumgedachte is ontleent. Ze zijn onderling vrij geschakeld als kralen aan een ketting, die is gevormd door de verbindende laagbouw met binnenstraat. De specifieke neo-organische architectuur kwam er tot wasdom. De problemen met het gevelmetselwerk liepen uit de hand met overvloedig in de gevel opgevangen regenwater dat zich anders gedroeg dan was verwacht. Daaruit is lering getrokken. Het hoofdkantoor van KPMG in Amstelveen wordt met de 400 meter lange gevel vaak beoordeeld op het uiterlijk van het bouwvolume waar een wat flauwe figuratie in verschillende kleuren baksteen overheerst, zeker als men er met honderd kilometer langsrijdt. KPMG gaf op ruime schaal de gelegenheid om binnen de gebouwschil de ideaal geachte vormgeving door te zetten. Dat leidde tot een interieur met aanzienlijk hogere kwaliteit dan van de gevels afleesbaar is; jammer voor passanten, gelukkig voor de werknemers. Door de hoofdopzet als kantoorgebouw voor de verhuur, zijn entree’s en trappehuizen minder spectaculair dan in de ING- en Gasunie-vides. Dat geldt ook voor het verhuurkantoor Castellum in Leidschendam. Het vormt een contrast met een kantoorbuur van Cees Dam en staat verder als een aardgebonden bouwmassa in de weide, zolang naburige plannen niet zijn verwezenlijkt. Met de monumentale daken, afgewerkt met leien van natuursteen, vormt het een teken in de omgeving. Waardering voor het ontwerp groeit als men zich realiseert dat het slechts om een verhuurkantoor gaat, tussen al het spiegelend glas.

Hoogtepunt

In deze reeks vormt de Gasunie een hoogtepunt. Ook nu wordt de gevel plaatselijk onderbroken door flauwe standaarddetails zoals schuin weglopende voegen tussen twee kleuren baksteen, die plaatselijk schaduwvlakken suggereren, stukjes aandoenlijk in patroon geknipte blauwe gordijngevel, maar ook de spraakmakende ‘waterval’ boven de entree, een mammoetserre van het bedrijfsrestaurant en daarvoor een daktuin in twee niveaus.

Deze enerzijds duidelijke vormwil, die in hoofdlijnen wellicht iets minder imponeert als de reeks torentjes van ING, heeft ook meer functionele kanten die ruimtelijk in het geheel zijn geintegreerd. Met de gelijktijdige integratie van de ruimtelijke interieurs en de wisselwerking tussen ex- en interieur nijg ik er soms naar om langzamerhand aan werkelijk inorganische architectuur te gaan geloven. Wanneer men de hal binnen komt, de trap ervaart, dan moet men ook vast ke stellen dat de architectuur verwonderlijk dicht die van bijvoorbeeld Hans Scharoun benadert. Dat is niet helemaal verwonderlijk. In de stedebouwkundige vormgeving van woongebieden zoals in Zoetermeer Buytenwegh de Leyens en Zwijndrecht-Walburg II benaderde Alberts de naoorlogse woonwijk van Scharoun in Berlijn-Charlottenburg. Ton Alberts kende die Berlijnse wijk toen overigens nog niet.

Om de NMB-directie te overtuigen van de mogelijkheden van organische architectuur leidde Alberts hen rond in het hoofdwerk van Scharoun, de Berlijnse Philharmonie. Dat maakte de bouw mogelijk van het huidige ING-hoofdkantoor.

En dat Charles Jencks er regionale trekjes in aantrof is bij zoveel baksteengebruik f. wellicht gecombineerd met een even karakteristieke Hollandse zuinigheidf. wellicht realistisch.

Reageer op dit artikel