nieuws

Import stimuleert architectonische kwaliteit

bouwbreed Premium

Verbijsterende uitspraken zijn net als de gemiddelde Nederlandse architectuur: daar kan je rustig omheen wandelen, om met een recent citaat van Carel Weeber te spreken. Journalisten zouden dag en nacht moeten produceren als ze iedere schreeuw om aandacht of middelmatig gebouw niet terzijde lieten voor wat het is.

Architectonische hoogtepunten zijn in ons land met bij benadering 3000 BNA-architecten verwonderlijk dun gezaaid. Deze constatering houd ik veelal voor me, maar als Weeber de pers voor ‘relzoekende sfeerscheppers’ uitmaakt, dan past een weerwoord.

De Koninklijke Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst Bond van Nederlandse Architecten (BNA) faxte vorige week nog voordat de bondsvoorzitter prof. ir Carel Weeber in de avonduren zijn speechje had gehouden een persbericht onder embargo rond inzake de vertekenende uitspraken van de professor.

Het daags daarvoor verschenen rapport van de Raad voor de Kunst pakte deels gunstig uit voor de beroepsvereniging, waar de ministers van VROM en WVC werd geadviseerd om toch vooral volledige opdrachten aan architecten te geven. Dat is natuurlijk mooi meegenomen uit het Kunstraad-advies, zeker voor de BNA, al wordt deze praktijk al jaren door hun voormalige BNA-lid rijksbouwmeester Kees Rijnbout onderschreven.

“Destijds is de indruk gewekt, dat het BNA-protest het aantrekken van een buitenlandse architect betrof. Daarmee kwam de discussie in een niet door de BNA bedoelde rellerige sfeer”, aldus de toch wat merkwaardig zijn geheugen selecterende voorzitter.

De pers heeft zich die dag voorafgaande aan de dag van de architectuur heel positief opgesteld. Plots ijlings bij elkaar gefaxt vroeg menig journalist zich af of de beroepsvereniging wellicht begiftigd was met de hoogst denkbare onderscheiding of heiligverklaring van de honorariumtabellen.

Ter plaatse bleek het nieuws dat mevrouw d’Ancona geen kubus mocht uitreiken en de rijksbouwmeester (die kort daarvoor een kubus ontving voor goed gedrag van een hele reeks rijksbouwmeesters, inclusief Rijnbout zelf) niet welkom bleek, ondanks zijn persoonlijk lidmaatschap van genoemde Maatschappij. Een weinig koninklijke beslissing voor deze Maatschappij. Het was nieuws, al verbleekte het wat bij de verwachtingen.

Vervolgens bleek de reden -en nu moet dat dan toch maar eens gezegd worden- schandalig ongemotiveerd. Men had bij geruchte vernomen dat Michael Graves opdracht had ontvangen voor een gevelrenovatie van een toren in Den Haag. De rijksbouwmeester, BNA-lid dus, was voor het maatschappijbestuur niet bereikbaar; daarentegen voor de vakpers wel, en heel eenvoudig. Genant voor de Koninklijke Maatschappij was de motivering dat Kees Rijnbout tot de aanvang van de persconferentie niet thuis of op kantoor was. De pers werd dus op grond van een gerucht ontboden om door bestuursleden met halve waarheden te worden bestookt.

Verbijstering bij de (vak)pers dat men daarvoor naar het Amsterdamse was ontboden. Maar diezelfde middag werd duidelijk, dat de projectontwikkelaar in zijn enthousiasme om het door kaalslag en verloedering jarenlang getroffen Haagse ontwikkelingsgebied nog verder in architectonische kwaliteit te verhogen, Graves voorstelde. Deze Amerikaanse architect lijkt zeer wel in staat tot een spraakmakende nieuwe gevel in de hofstad. Maar de koninklijke maatschappij sprak er schande van dat juist de minister van CRM in plaats van de Nederlandse de Amerikaanse cultuur prefereerde.

Dat was eigenlijk een verdraaiing van de feiten, want Kees Rijnbout kon toch moeilijk nee zeggen tegen verleidelijke architectonische kwaliteit van een niveau dat in ons land eenvoudig niet te vinden is, zeker niet als men met een knipoog naar het postmodernisme naar de opdracht kijkt. En dat deed men, want in het stedebouwkundige team voor het gebied zaten Rob Krier en Sjoerd Soeters. Zoekt men naar aansluitende kwaliteit, dan is de keuze voor Graves volledig gelegitimeerd. En dat geldt zeker als de poontwikkelaar dat aan de rijksbouwmeester aanbiedt ter stimulering van de architectonische kwaliteit in het gebied. Inmiddels is de welstand in Den Haag tevreden met Graves.

Maar -en dat werd er niet ten kantoren van de BNA bij verteld- het grootste deel van het ministerie bestaat uit drie wat lagere torens die wel ruim de helft van de ministeriele vloeroppervlakte beslaan. Sjoerd Soeters ontwerpt dat bouwdeel, en is overigens nog niet zo ver met goedkeuring van de welstandscommissie als zijn Amerikaanse partner voor het verhuurministerie.

Wie was er nu toch uit op een rel en wie wilde niet anders dan het kaf van het koren scheiden en deed daarbij voornamelijk redelijk zakelijk verslag van het nieuws die dag?

Achteraf kan gesteld worden dat het een miskleun van de BNA was en iedereen nieuwsgierig werd hoe het bestuur zich hieruit zou redden. Maar de voorganger van Weeber sprak me er ongevraagd zijn afschuw over uit, toen ik hem toevallig die dag van de architectuur c.q. rel ontmoette.

De ‘rellerige sfeer’ werd geschapen door de BNA; het is ongekend laaghartig daar een half jaar later de pers van te beschuldigen.

Op het bijeen gefaxte uurtje in Amsterdam werd ook nog eens gesignaleerd dat Nederlandse architecten in het buitenland zo weinig worden gevraagd.

Niet bekend

Als Carel Weeber dan meent “De Nederlandse architectuur wordt kennelijk door WVC niet als exportprodukt gezien”, dan lijkt het architectuurniveau in ons land daarvan helaas geen aanleiding toe te geven. Dat moet dan maar eens gezegd worden. Geen Amerikaanse WVC-gelijkende overheidsdienst heeft een vinger in de Haagse pap gehad: er is gekozen op grond van een kwaliteit die in ons land niet te vinden is! Dat geldt overigens voor vier torens in die Haagse wijk van naast Graves, Pelli, Krier en Kohn, Pedersen & Fox. En als we binnen het beschermde stadsgezicht het beste voorbeeld van een hedendaagse toevoeging zoeken, ja dan is dat wel toevallig alweer een Amerikaans architect: Marcel Breuer. De vooraanstaande architect Rein H. Fledderus constateerde al in 1968 dat het beste voorbeeld van Rotterdamse architectuur in het centrum van de havenstad, eveneens uit de koker van Marcel Breuer kwam voor de Bijenkorf.

Een ander bewijs voor Amerikaans meesterschap treft men in Den Haag een kavel verder aan. Nu Richard Meiers stadhuis uit de steigers komt, lijkt de kwaliteit onder de gegeven omstandigheden van een budgettair neutraal gebouw hoger is dan die van Jan Hoogstad (die eerder op deze kavel een atrium ontwierp en VROM in een keurige doos verpakte), Herman Hertzberger die net wat lang vasthield aan zijn betonstructuralisme voor het ministerie van Sociale Zaken -dat desalniettemin de top van de Nederlandse architectuur bereikte- of de tragische vergissingen aan grotere kantoorgebouwen die de laatste jaren echte architectonische kwaliteit ontberen. Twee Nederlandse ontwerpen voor hetzelfde stadhuis waren te onbeduidend om over te praten of niet realiseerbaar in een bouwtechnische kwaliteit die Meier behaalde.

Tegen die achtergrond ben ik van mening dat ook Carel Weeber op grond van zowel zijn voorzitterschap als architectonische kwaliteit in eigen ontwerpen best wat terughoudender commentaar mag geven. Maar als een BNA-rel in een thuiswedstrijd van twee BNA-kringen op de pers wordt teruggespeeld, dan gaat Weeber te ver. Het lijkt haast opnieuw relbewust als zulke onzin onder embargo ook nog eens twaalf uur van te voren wordt rondgefaxt.

Vooralsnog houd ik het er op, dat Weeber in eigen kring de aftocht blaast op de door hem verwekte rel, die onder veel BNA-leden vaak duidelijk is afgekeurd. Dan is ‘de pers’ een makkelijke bliksemafleider.

Reageer op dit artikel