nieuws

‘Olie-industrie heeft minder macht dan volkshuisvesters’

bouwbreed

‘Ik dacht altijd dat de olie-industrie een wereld van macht was, maar toen kende ik de volkshuisvesting nog niet. Wat je daar ziet, dat is pas macht.’ Aan het woord is Eric Venghaus, directeur van Stelpost BV, die zich recentelijk in de wereld van de volkshuisvesters begaf met een ‘totaal-concept’ voor het plaatsen van liften bij flats. Het idee kende een valse start, maar lijkt inmiddels aan te slaan.

Die valse start veroorzaakte Stelpost zelf, door in zijn mailings aan woningcorporaties de namen te gebruiken van organisaties als de Nationale Woningraad, het NCIV, de Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting, de Vereniging Nederlandse Gemeenten en van het ministerie van VROM.

Het bedrijf stelde in zijn mailings dat die organisaties en VROM zijn produkt ondersteunden, maar daar bleek geen sprake van te zijn. Het initiatief was wel goed ontvangen, maar NWR, NCIV, SEV, en VNG lieten boos weten dat er alleen al uit principiele overwegingen geen sprake kon zijn van ondersteuning van een commercieel produkt.

Een woordvoerder van het ministerie bracht enige nuance aan, door te stellen dat Stelpost geen kwade bedoelingen kon hebben, en dat het allemaal voortvloeide uit onbekendheid van Venghaus met de markt.

Venghaus (41 jaar) is inderdaad nog niet zo lang actief in de volkshuisvesting. Hij komt uit de petrochemie, waar hij als projectmanager zijn geld verdiende. En dat zijn twee totaal andere werelden. ‘In de volkshuisvesting moet je heel voorzichtig zijn, diplomatiek. Daar is in de petrochemie geen sprake van.’

Logisch dus, dat hij schrok van de reacties die zijn mailings opriepen. ‘Wanneer je deze organisaties als beginnend bedrijf tegen je hebt, kun je het immers wel vergeten.’

Begin

Men kan zich afvragen waarom Stelpost dan de namen van NWR, NCIV, SEV en VNG uberhaupt heeft gebruikt. Om dat te verklaren gaat Venghaus terug naar het begin.

‘In 1992 filosofeerde ik met een relatie over de mogelijkheden van een bedrijf, dat zich bezighoudt met het verhuren en leasen van liften. Daar is een markt voor, want er zijn genoeg flats zonder liften.

Vervolgens heb ik een gesprek gehad met de SEV. Hun liftenexperiment zat op een dood spoor, met name omdat de liftenbranche te hoge prijzen vroeg voor hun liften. Ik legde de SEV, en daarna ook andere organisaties mijn idee voor.

Een all-in aanpak, van ontwerp en plaatsing tot en met onderhoud, voor het plaatsen van liften, inclusief de mogelijkheid tot financiering.”

Het mooie van het idee was dat Venghaus een manier had gevonden om het, door velen veronderstelde, kartel van liftenleveranciers te omzeilen, door gebruik te maken van zijn ervaringen in de petrochemie.

‘Daar zijn we gewend om met monopolisten te werken. Hoe deden we dat? We bestelden bijvoorbeeld een pomp. Die werd uit elkaar gehaald, en vervolgens met andere en goedkopere onderdelen in elkaar gezet. Dan kwam er een prijsvoordeel boven tafel, en daarmee gingen we de onderhandelingen in met de leverancier. Einde van het liedje was dat we altijd veel goedkoper uitkwamen.’

Eenzelfde aanpak introduceerde Venghaus in de liftenbranche. Er werd een eigen liftconstructiegroep opgezet, die van verschillende toeleveranciers onderdelen betrok, een eigen besturing ontwikkelde en zo een nieuwe, maar dan ‘naamloze lift bouwde. En wat bleek. De liften konden goedkoper worden gemaakt.

Steun

‘Maar ja’, vervolgt Venghaus, ‘als je alleen staat tegenover een kartel, dan kom je er niet tussen. In de petrochemie hebben de oliemaatschappijen sowieso al veel macht, dus daar was het vrij eenvoudig. In de volkshuisvesting moet je daarentegen brede steun hebben van alle betrokken partijen. Alleen dan kun je een vuist maken tegen de liftenfabrikanten.’

Want dat die partijen in de volkshuisvesting samen veel macht hebben, staat voor Venghaus vast. ‘Neem alleen al de 1200 corporaties die er zijn. Dat zijn zon beetje de grootste onroerend goed-magnaten die er zijn. Een organisatie als de NWR heeft een stem in meer dan zestig andere maatschappelijke en politieke organisaties. Dan kun je mij niet wijs maken dat die niet in staat zouden zijn het monopolie van de liftenbranche te doorbreken. Ik dacht altijd dat de olie-industrie veel macht had, maar toen kende ik de volkshuisvesting nog niet. Dat is pas een wereld van macht.’

Venghaus ging dus om steun vragen bij de volkshuisvesters voor zijn idee. En die kreeg hij.

Zelfs staatssecretaris Heerma was enthousiast. Toen Venghaus dat echter zwart op wit neerzette, en ook nog eens verkeerd, bleek dit voor de organisaties een stap te ver, wat leidde tot de bekende reacties.

Stelpost bekende schuld en beloofde beterschap. Inmiddels zijn de gesprekken tussen de organisaties en Venghaus’ bedrijf weer op gang gekomen.

Want het concept is nog voor verbetering vatbaar, met name daar waar het de financiering betreft.

Prijsvoordeel

Toch lijkt Venghaus zijn zaakjes goed voor elkaar te hebben.

Door veel gebruik te maken van zijn ervaringen in de petrochemie is hij erin geslaagd een groot prijsvoordeel te behalen.

Uit haalbaarheidsonderzoeken is gebleken dat Stelpost liften tot 30% goedkoper bij flats kan plaatsen.

Dan gaat het met name om de organisatie van een po.

Alles draait bij Venghaus om de verbetering van efficiency.

‘In de petrochemie wordt niets gebouwd of gemaakt zonder dat daar een kwaliteitshandboek en organisatieschema bij te pas komt. Er wordt alleen maar gewerkt met gecertificeerde produkten en bedrijven.

Bovendien is bijna alles gestandaardiseerd.”

De bouw is nog lang niet zover, constateert Venghaus. ‘Er wordt steeds weer opnieuw een bestek geschreven, er worden steeds weer haalbaarheidsonderzoekjes verricht, terwijl het bij het plaatsen van liften in wezen allemaal vergelijkbare poen betreft. Wij hebben het gestandaardiseerd, en dat spaart kosten.’

En ook op onderhoud bleek te ke worden bespaard, en veel ook. ‘Onderhoud is het meest spraakmakende onderdeel. Dat is de activiteit van de liftenjongens waar de meeste winst op wordt gemaakt. Dat is de dikst belegde boterham.

Men laat liever geld liggen op de nieuwbouw om zo een onderhoudscontract met een duur van vijftien jaar binnen te halen, dan dat het onderhoud wordt gemist.”

Stelpost gaat eenjarige onderhoudscontracten aan met de klant, en besteedt het concrete onderhoudswerk uit aan GTI.

Blij

Op de vraag of de liftenbranche blij zal zijn met Stelpost, antwoordt Venghaus: ‘Die lift is nog niet eens zo belangrijk, Het gaat om de organisatie.

Volgens mij ke de fabrikanten er alleen maar blij mee zijn. Op termijn zal het toch tot volumevergroting leiden.

Bovendien moet je niet vergeten dat er een hele grote koek ligt. De markt biedt de mogelijkheid 70000 installaties te plaatsen. Wij hoeven niet die hele koek.”

Sommigen in de branche lijken dit te onderkennen. Inmiddels zijn namelijk al twee liftenfabrikanten aan het werk voor Stelpost.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels