nieuws

Expositie Co Brandes en de Haagse School

bouwbreed

In het Haags Historisch Museum wordt rond de jaarwisseling een grote tentoonstelling ‘Co Brandes en de Nieuwe Haagse School’ gehouden. De expositie doet recht aan architect Co Brandes en aan een stroming in de recente architectuurgeschiedenis, en kan wellicht bijdragen tot het tegengaan van verder verval van jonge monumenten in Den Haag.

In de recente architectuurgeschiedenis wordt royaal ruimte ingeruimd voor het Nieuwe Bouwen, de traditionele architectuur als tegenpool en daartussen het expressionisme met onder meer de Amsterdamse School en andere min of meer regionale stromingen. De Amsterdamse School ontstond in de hoofdstad en heeft daar het rijkste gebloeid, maar Piet Kramers Bijenkorf staat in Den Haag en in heel ons land treft men invloeden van de Amsterdamse School aan.

Vooral Groningen is daar een voorbeeld van.

Haagse School

In Den Haagse regio ontwikkelde zich daarnaast een stroming die zowel als Haagse School is aangeduid als met Nieuwe Haagse School. Het te suggereert een oudere Haagse School, waarmee men kan denken aan de stroming onder schilders. Min of meer gekscherend werd de stroming al in 1920 in het tijdschrift Wendingen met nieuw aangeduid. Maar Giovanni Fanelli spreekt in zijn standaardwerk ‘Moderne architectuur in Nederland’ terecht over Haagse School.

De stroming die zich tussen de beide wereldoorlogen ontwikkelde wordt wel omschreven als ‘een synthese van de architectonisch stedebouwkundige theorieen van Berlage, de vormentaal van Frank Lloyd Wright en het streven naar een dynamische monumentaliteit uit de vroege fase van De Stijl’. Op de tentoonstelling die begin november in het Haags Historisch Museum wordt geopend, moet blijken of deze typering de architectuur van de stroming dekt. Er is relatief weinig over de Haagse School gepubliceerd, al is er eerder een tentoonstelling aan gewijd. In tegenstelling tot de architectuur van de Amsterdamse School en De Stijl, is er over invloeden van de Haagse School buiten de regio weinig bekend, hetgeen mede samenhangt met de nog weinig steekhoudende beschrijving van de stroming.

Kenmerken

De samenstellers van tentoonstelling en gelijktijdig verschijnende publikatie noemen als kenmerken een organische expressie in de gevels rond veelal met elkaar in open verbinding staande woonruimten. Belangrijk zijn daarbij vooral ritmisch in- en uitspringende kubische volumens metselwerk voor erkers en balkons. Betonnen banden, ver uitstekende betonluifels, dakoverstekken en in elkaar grijpende dakpartijen sluiten er op aan. Daarbij werd veel aandacht besteed aan de detaillering van gevels met krachtige gevelplastiek in kleurig metselwerk, tegenover de slanke profilering van sta len ramen. Aan ruimtelijke overgangen tussen binnen en buiten werd veel aandacht besteed door terrasmuurtjes, trap–partijen, luifels en pergolas. Vergelijkt men de Haagse architectuur met de Amsterdamse School, dan treedt een zekere vereenvoudiging op door de keuze voor rechthoekige gevormde bouwvolumen, minder nadrukkelijk siermetselwerk en een ogenschijnlijk functionele benadering van het ontwerp.

Co Brandes

De architect Co Brandes (1884-1955) vormt een centrale figuur in de Haagse School.

Op zijn naam staan zon vijfhonderd werken, grotendeels uitgevoerd in de Haagse regio.

Met Jan Wils was hij eindredacteur van het architectuurtijdschrift ‘Levende Kunst’, dat onder meer aandacht besteedde aan het werk van de Amerikaanse architect Frank Lloyd Wright.

Zijn werk staat centraal op de komende expositie. De achtergronden van plattegrondontwikkeling, appartementgebouwen, villas en het streven naar ‘schone eenheid’ staan daarbij centraal.

Tot de collegas van Brandes binnen de stroming rekenen de expositiemakers Johannes Duiker, Bernard Bijvoet, Dirk Roosenburg, Jan Buys, Jan Luthmann, Willem Verschoor, Jan Wils, Frans Lourijsen, Hans Wegerif, Hendrik Wouda, Frans Klijnen, Herman van der Kloot Meyburg en Bart Hoogstraten. Een deel van deze architecten hebben later andere stromingen in de bouwkunst gevolgd, terwijl collegas tot in de jaren vijftig voortborduurden op de uit gangspunten van de Haagse School. Bij elkaar zorgden de architecten voor een zeer omvangrijk bestand aan architectuur van de Haagse School die ook in de regio zoals Voorburg, Wassenaar en Rijswijk voorbeelden opleverde.

Expositie

Vorig jaar werd de parkflat Marlot, in de gelijknamige wijk op de grens van Den Haag en Wassenaar, officieel ingeschreven als rijkserkend jong monument. Het ging om een vroeg voorbeeld van een Haagse servicesflat, gebouwd rond een openbare binnenruimte met verdiepte garageboxen, ontworpen door Brandes. Toen al was er sprake van een komende publikatie en expositie.

Het gemeentelijk Bureau Monumentenzorg nam daartoe het initiatief. De tentoonstelling wordt omvangrijk, waarbij gebruik wordt gemaakt van tekeningen, maquettes en fotos.

Verder worden er enkele details op ware grootte gereconstrueerd.

De mogelijkheid wordt aangegrepen om te wijzen op het dreigende verval van veel architectuur van de Haagse School. Een navrant voorbeeld vormen daarbij de kozijnen die vaak verminkt in vorm en vooral ook materiaal uit grootonderhoudsbeurten te voorschijn komen. Maar ook het platvol voegen van oorspronkelijk diep voegwerk, de aantasting van kunststeen in de gevels en schilderwerk, laten ingrijpende sporen achter die het karakter aantasten.

De expositie vindt van 6 november tot 16 januari plaats in het Haags Historisch Museum, Korte Vijverberg 7 in Den Haag.

Fotos komen vrijdag 30 juli door; voor gewone dagkrant, geen haast w.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels